Opinie —

30% meer lelijkheid?

Piet Vollaard

Wie op zoek is naar het lelijkste stukje Nederland doet er goed aan om eens een tochtje te ondernemen langs enkele van de honderden bedrijventerrein in ons land. In de Nota Ruimte wordt 30% meer bedrijventerrein in het vooruitzicht gesteld. Daar wordt een mens niet vrolijk van.

Braakliggende grond in Veenendaal waar een kantorenpark en bedrijventerrein langs de snelweg A12 is gepland. Dergelijke ‘zichtlocaties’ zijn populair bij beleidsmakers. Het bord om hiervoor reclame te maken staat er echter al heel lang. Minder populair bij bedrijven?

Dat de bedrijfsarchitectuurreiziger onderweg veel gebouwen van matige architectonische kwaliteit zal tegenkomen is niet verwonderlijk, dat is eigenlijk niet eens het probleem. De economische dynamiek zal slechts onder bijzondere condities (vooral een opdrachtgever met esthetische goede wil en ambitie) tot bijzondere architectuur leiden. De voorbeelden zijn er, maar ze zijn spaarzaam. In die zin is een nieuw bedrijventerrein vergelijkbaar met een vrije sector woonwijk, af en toe een architectonische krent in een pap van middelmaat. Alleen op het niveau van de stedenbouw en terreininrichting zijn er kansen om de situatie te verbeteren. Dat is ook het niveau waarop de lelijkheid zich het meest doet gelden.

De esthetische treurnis van de doorsnee architectuur op het doorsnee bedrijventerrein wordt namelijk in veel gevallen aangevuld met verwaarloosde straten, parkeerterreinen en groenstroken, met scheefhangende lantaarnpalen en met vervuilde bedrijfsterreinen zelf.

Als het een nieuw terrein betreft zal de reiziger zich afvragen hoe in tijden van esthetische sturing deze bonte verzameling dicht opeen gepakte dozen zonder enig onderling verband ooit tot stand heeft kunnen komen. Evengoed is het echter mogelijk dat hij een grotendeels leeg terrein oprijdt. Het betreft dan een van de vele pogingen van een lokale overheid om de gemeente een economische impuls te geven, meestal ondersteund door landelijke of Europese subsidies. Niet zelden had een buurgemeente hetzelfde idee, zodat er een onderlinge concurrentiestrijd ontstond met als enige winnaars de enkele bedrijven zich dan eventueel wel in de streek wilden vestigen en die, de gemeenten tegen elkaar uitspelend, de grond voor niets of zelf met geld toe konden verwerven. Het doorsnee bedrijventerrein in Nederland is kortom, vergeleken met onze woonwijken, onze agrarische gebieden, zelfs met onze infrastructuur, een bestuurlijke, een planologische, een stedenbouwkundige, een architectonische en een economische puinhoop.

En daar lijkt zelfs de overheid achter te zijn gekomen. In de architectuurnota Ontwerpen aan Nederland uit 2000 werd Het Bedrijventerrein tot een van de tien Grote Projecten uitgeroepen en in de nieuwe Nota Ruimte zal het bedrijventerrein opnieuw een van de actiepunten van het architectuurbeleid zijn. Maar of de overheid werkelijk begrijpt wat het probleem is, dat is de vraag. Van verschillende kanten wordt er op gewezen dat de enorme uitbreiding van het areaal bedrijventerrein (in de laatste 15 jaar nam het oppervlak bedrijventerrein met 30% toe, tegenover 10% woningbouwoppervlak) misschien iets te veel van het goede is geweest. Misschien is dat de reden dat oudere terreinen zo verwaarloosd zijn. Misschien hadden we toch wat meer aandacht moeten schenken aan onderlinge regionale en bovenregionale afstemming? Misschien hadden we die grond niet voor niks weg moeten geven? Misschien hadden we wat meer naar bestaande terreinen moeten kijken en een vergelijkbare vernieuwingsoperatie moeten overwegen die in de jaren zeventig een groot deel van de verwaarloosde stadswijken nieuw leven inblies en die op dit moment op allerlei plaatsen gaande is in de na-oorlogse wijken?

Misschien? Ik weet het wel zeker. De overheid denkt daar echter anders over. De Nota Ruimte voorziet voor 2020 een uitbreiding van het oppervlak bedrijventerrein met 230 vierkante kilometer (325 bruto, dus met wegen, groen en waterberging). Dat is opnieuw 30% groei. De gewenste economische groei wordt één op één gekoppeld aan een evenredige uitbreiding van bedrijventerreinen. Of dat werkelijk noodzakelijk is, is nauwelijks onderzocht en, gezien de veranderende aard van de bedrijvigheid van industrie naar dienstverlening, waarschijnlijk ook onzin. We hebben niet zozeer meer, maar juist andere bedrijventerreinen nodig, beter aangelegd, met een prettiger leefklimaat, schoner en wat infrastructuur betreft meer gericht op personen-, dan op vrachtvervoer. Het zou dus wel eens verstandiger kunnen zijn om juist de verwaarloosde, oudere industriële bedrijventerreinen, die vaak dichter bij de stadscentra liggen te gaan herontwikkelen tot hoogwaardige terreinen met een intensief ruimtegebruik, in plaats van steeds maar weer de goedkope en gemakkelijke oplossing te kiezen: een weiland opkopen en ontwikkelen en de oude troep de oude troep laten. Het kan, het voormalige Storkterrein in Amsterdam, waar het INIT gebouw het centrum van vormt, is een voorbeeld.

Je zou verwachten dat juist in het actieprogramma Cultuur en Ruimte, het onderdeel van de Nota Ruimte dat handelt over de architectonische en landschappelijke kwaliteit, primair zou inzetten op het herstructureren van bestaande bedrijventerrein. Het programma is immers bedoeld om voorbeelden van goed beleid naar de markt en de lagere overheden uit te dragen. Het probleem wordt weliswaar onderkend, er gaat speciale aandacht uit naar de herontwikkeling van verouderde bedrijventerreinen, maar de noodzaak van een substantiele uitbreiding van nieuwe terreinen lijkt niet ter discussie te worden gesteld. Het ontwerpen van 'een landschappelijk en stedenbouwkundig aantrekkelijk bedrijventerrein' wordt onderwerp van een 'voorbeeldstellende ontwerpprijsvraag' die door het ministerie van EZ in het kader van het Actieprogramma zal worden uitgeschreven. Er is door het ministerie van EZ zelfs gesuggereerd om het nieuwe bedrijventerrein in het nationale landschap De Hoeksche Waard – een groot nieuw bedrijventerrein waarvan de noodzaak nog niet is aangetoond en waarvan de locatie veel vragen oproept – tot onderwerp van die prijsvraag te maken. Dat riekt naar het oneigenlijk gebruik van architecten en architectuur om een politieke controverse te verhullen. Gewoon doorgaan met het volbouwen van weilanden, maar nu architectonisch verantwoord. Het is de vraag of ontwerpers zich daarvoor moeten lenen. Het zou veel beter zijn als de prijsvraag het herstructureren van een verouderd terrein betrof, wellicht niet alleen als architectonisch ontwerp, maar met daaraan gekoppeld een procesvisie die de stroperigheid van een dergelijke herstructurering weet open te breken.

Het is te gemakkelijk om een blik architecten open te trekken om de boel een beetje op te fleuren. De kwaliteit van het bedrijventerrein is vooral een zaak van goed beleid en goed beleid is meer dan het richten van een verlanglijstje aan de markt of de lagere overheden. Goed beleid moet je als overheid zelf willen maken.