Feature —

Het dekselse dak

Bert de Muynck

Op dinsdag 22 maart gaf David Mangin ( winnaar van de prijsvraag voor het Les Halles-gebied in Parijs ) een toelichting op zijn werk en ideeën in het kader van de ARCAM theatrale lezingenreeks. Een verslag.

Als men vóór 2003 de naam Mangin in de Nederlandse architectuurwereld liet vallen, leidde dat wellicht tot gefrons. Wie is dat? We zijn twee jaar verder en dankzij een prijsvraag en de ophef rond de plannen voor het Parijse Les Halles, vond zijn naam ingang. Maar is ook gestigmatiseerd; als drie architecten (Nouvel, MVRDV en Koolhaas) vechten om een locatie…

In het eerste deel van de lezing vertelde Mangin over zijn achtergrond en de twee boeken die hij schreef, Project Urbain (met Philippe Panerai, 1999) en La ville franchisée (de vrije stad, 2004). Over zijn jeugd was Mangin kort en duidelijk, hij was twintig in 1969 en nog steeds verheugd te kunnen melden dat op dat moment het Beaux-Arts systeem in Parijs omver geworpen werd. Vervolgens gaf hij uitleg bij zijn tweede boek waarin hij lijkt te onderzoeken hoe infrastructuur een nieuwe vorm van periferie mogelijk maakt. Na een referentie aan Chandigarh volgde aan de hand van eigen tekeningen een eenvoudige lezing van de perifere gebieden op drie niveaus; het wegensysteem, het commerciële en logistiek systeem en de individuele huizen rond deze structuren (vooral een Frans systeem benadrukte hij). Hieruit stelde hij vast dat de opmars van de microperiferie reeds begonnen was. Mangin pleitte ervoor het sector-system op haar potenties te testen, en niet in het block-system te denken. (Het sector systeem, zoals bijvoorbeeld is toegepast Chandigarh, vindt aansluiting op wat er omliggend gebeurt en speelt in organisatie en evolutie, terwijl het block-systeem, zoals bijvoorbeeld in New York, een introverte manier van stedenbouw inhoudt.

Na een verdere toelichting op dit veldonderzoek vroeg hij zich af wat we nog kunnen doen in deze situatie. Hij onderscheidde drie mogelijkheden; de stedelijkheid van het reële, van de fantasie of van het mogelijke. De laatste mogelijkheid, l'urbanisme du possible, hadden hij en zijn bureau SEURA getest in projecten voor Chartres, Montpellier en Marseille. Maar aan de projecten zelf was te zien dat ze bedacht werden in een recuperatief universum, het mogelijke leek enkel een herstel in te houden.

Het tweede deel van de lezing stond in het teken van de Les Halles prijsvraag die na 15 december, het moment waarop het winnende project bekend werd, Mangins leven (naar eigen zeggen) totaal veranderd had. Hij belichtte zijn voorstel door het probleem van het gebied op vier schalen te bekijken: de 800.000 mensen die dagelijks door het gebied stromen (metro), het regionale niveau, de omliggende wijk en het lokale niveau.

Het oorspronkelijke bebouwing van het gebied (door Zola omschreven als De buik van Parijs) werd in 1971 afgebroken en ondergronds doorsneden met snelwegen en metrolijnen. Deze werken waren in 1977 voltooid (Chatelet-Les-Halles werd Parijs' nieuwe metro hub) en in 1979 opende het Forum des Halles, een meerlagig shoppingcenter gekenmerkt door een watervalachtige esthetiek. Mangin noemde Jacques Chirac, burgemeester van Parijs tussen 1977 en 1995, de architect van dit plan. Het uitgangspunt voor de prijsvraag, eigenlijk een étude de définition, was de ambitie om het gebied van een paar disfuncties te verlossen. Iedereen mocht in massameetings zijn of haar mening geven over die problemen. De voorstellen voor de invulling mochten in deze fase een haast vrij programma hebben (zo stelde OMA voor dit te koppelen aan de Olympische Spelen die Parijs in 2012 gaarne wil houden). De vier belangrijkste partijen, de stad, de wijk, het transport en het winkelcentrum onderzochten vervolgens de mogelijkheden. De vier geselecteerde voorstellen waren volgens Mangin behoorlijk verschillend en er ontstonden discussies. Mangin verwonderde zich er over dat de invloed van de kranten Le Monde of Libération er haast niet toe deed, het was de vrije pers van de 20 minutes (de Parijse versie van de Metro of Spits) die het debat bepaalde.

Met zijn voorstel richtte Mangin zich op vier hoofdproblemen; de tuin, de toegankelijkheid, de tunnels en de ruimte van het transportsysteem. De tuin werd gezien als een fashion space voor de inwoners van suburbia  – een terrein waar de jonge lieden op de zondag komen 'blingen' (flaneren zoals dat vroeger heette). De toegankelijkheid werd opgelost door een nieuw gebouw te plaatsen, een doos van negen meter hoog (negen meter omwille van de hoogte van de bomen in de tuin) bestaande uit twee vleugels. Het parkeersysteem onder Les Halles werd uitgefilterd (er verdwenen twee ingangen), omliggende straten werden autovrij gemaakt en een nieuwe kolomstructuur onder het plein moest de verwarring rond de metroruimte verhelpen. Ingrepen die geen hemelbestormende vernieuwing of trendyness uitstralen, we zitten hier niet in een Bilbao situatie (dixit Mangin), maar de problemen oplossen waar ze zich voordoen. Bij dit alles vindt zijn plan ook nog aansluiting op de omliggende assen en landmarks. Wat Mangin op basis van dit voorstel na 15 december 2004 in de wacht kon slepen was dat de Parijse burgemeester Bertrand Delanoë hem vroeg om de supervisie te doen over het project. Daarbij moet evenwel het voorgestelde traject tuin gewijzigd worden en er wordt een internationale prijsvraag voor het ontwerp van het dak boven het winkelcentrum uitgeschreven. Mangin mag toekijken en hopen dat de as bewaard blijft. Mangin was zichtbaar ontgoocheld maar sloeg ook een mea culpa, hij stelde dat zijn eigen regels en parameters tegen hem hadden gewerkt.

Aan de uitkomst van het Les Halles-verhaal valt voor Mangin niet veel vrijheid te beleven. Het ontwerp voor een dak? Misschien moeten ze Yona Friedman wel vragen….