Feature —

Een recept voor architectuur-allergie

Vladimir Stissi

Zoals we allemaal wel weten, is politiek en cultureel Nederland de laatste tijd behoorlijk in beweging. Het volk mort en de elites hebben ontdekt dat de kloof tussen de ‘gewone burgers’ en degenen die besluiten, besturen en bedenken wel erg groot is geworden. Over de verschillende analyses van dit probleem valt te twisten en de aangedragen oplossingen zijn vast ook niet allemaal even effectief, maar het gist in Nederland.

In heel Nederland? Nee, niet in heel Nederland. Één groepje lijkt geheel immuun voor alles wat er in de maatschappij leeft: de architectuurbobo’s. De publicatie de tuinstad is dood, leve de tuinstad! (sic) is de meer dan perfecte illustratie van dit fenomeen. Zelden heb ik een boek gezien dat zo weinig van zijn eigen pretenties waarmaakt, en daarbij zoveel minachting voor zowel zijn lezers als bijdragende architecten uitstraalt.

Zo’n boude stelling heeft natuurlijk enige onderbouwing nodig, zeker omdat het hier gaat om een publicatie van de STAWON, een idealistische stichting van ontwerpers die de kwaliteit van het wonen in Nederland wil verhogen. Met de doelstellingen van deze bijdrage van de STAWON aan het eindelijk op stoom komende debat over de toekomst van de naoorlogse woningbouw is ook niets mis, integendeel. Enerzijds lijkt het boek bedoeld om via de getoonde studieprojecten een aantal mooie voorbeelden en modeloplossingen te bieden voor typische opgaven en situaties in herstructureringsgebieden, anderzijds is het een pleidooi voor de bijdrage van architecten aan de vernieuwing – architecten die klaarblijkelijk (het wordt niet met zoveel woorden gezegd), nu nogal ondersneeuwen naast stedenbouwkundigen, planologen, bestuurders en opdrachtgevers. Vooral in de teksten aan het begin van het boek wordt er nogal gehamerd op de toegevoegde waarde van de architect, zonder dat nou expliciet duidelijk wordt gemaakt waar die dan ligt.

De rest van het boek is daarbij ook niet erg behulpzaam, eerder het tegenovergestelde: de continue lijn in het boek lijkt te zijn, dat als je een architect inhuurt je het tegenovergestelde krijgt van wat je beloofd wordt, of gewoon helemaal niets. Dat begint al bij de ondertitel: herstructurering als culturele ontwerpopgave. Wat dat nou precies is, een culturele ontwerpopgave, wordt nergens uitgelegd. Sterker nog, de hele term valt in het boek niet eens, en ook impliciet is er weinig ‘cultureels’ te vinden in de traditionele, zakelijke benadering van de verschillende modelprojecten. De inleidende en afsluitende teksten bieden verder vooral betekenisloze clichés in de trant van ‘De samenwerking tussen verschillende disciplines heeft een grote rijkdom opgeleverd aan ontwerpoplossingen en ideeën voor het hele gebied. De teams hebben de sterke punten van een locatie in verband gebracht met de woonmilieus binnen een gebied.’ (Ja, het Nederlands is vaak ook tenenkrommend).

De projectbeschrijvingen en de projecten zelf zijn gelukkig beter verteerbaar. De voorbeeldstudies (Poptahof in Delft, Kleine Driene in Hengelo en Broersveld in Nijmegen) bieden een staalkaart van de mogelijkheden van herstructurering onder diverse omstandigheden, en laten daarbij ook goed zien hoe één opgave tot sterk verschillende oplossingen kan leiden, afhankelijk van de inzet en de benaderingswijze van de betrokkenen. Uiteraard zijn sommige oplossingen aantrekkelijker dan andere, en varieert ook de financiële en praktische haalbaarheid van de uitgewerkte varianten – dat is juist het aardige van een boek met studieprojecten. Opvallend is alleen wel dat de gekozen oplossingen vrijwel allemaal radikale transformaties zijn. Bescheiden voortbouwen op het bestaande is er nergens bij, al wordt er niet altijd heel veel gesloopt. Misschien kun je architecten niet verwijten dat ze iets nieuws willen laten zien, maar die intense vernieuwingsdrift is toch wat merkwaardig als de betrokkenen zeggen het oorspronkelijke ontwerp als richtinggevend te beschouwen (team 1 in Kleine Driene, dat vervolgens de helft van wijk sloopt en geheel nieuw indeelt). Komisch is ook team 3 bij de Poptahof, dat begint met de opmerking dat het ontluisterend is dat er in de bestaande plannen zoveel wordt gesloopt, en die plannen ook te stedelijk vindt, en vervolgens het sloopquotum hetzelfde laat en nieuwbouw van twintig verdiepingen hoog toevoegt. En in hoeverre is er nog sprake van herstructurering in een zinnige betekenis van het woord als er van de uitgangssituatie uiteindelijk weinig overblijft (team 3 in Kleine Driene)? Transformatie is hier simpelweg vertraagde (bijna) totale sloop/nieuwbouw. Zoals gezegd, voor sommige architecten is de grens tussen eigenwijsheid en het negeren van de opdracht behoorlijk problematisch.

Een grote handicap bij het beoordelen van dit alles is dat de overzichten van de plannen in dit boek op postzegelformaat zijn afgedrukt – veel kleiner dan nodig is om ze te kunnen bekijken, en dan binnen het compacte formaat mogelijk is. Ook de verdere illustraties van delen van plannen en bijbehorende typologieën zijn niet bepaald riant, maar er is in ieder geval iets zinnigs op te zien zonder vergrootglas. De situatie is des te frustrerender omdat ongeveer de helft van het boek onder het motto ‘uitvindingen’gevuld is met fancy schetsjes van allerlei mogelijke gebouwtypologieën, die deels lijken te zijn gebaseerd op voorstellen uit de projecten. Deze illustraties hadden best kleiner gekund, of zelfs helemaal weggelaten kunnen worden: ze leveren nauwelijks een bijdrage aan de doelstellingen van de publicatie. Hoewel het de bedoeling lijkt te zijn dat ze voorbeelden bieden voor renovaties of nieuwbouw, wordt er in het boek verder niets met de schetsjes gedaan. Het betreft bovendien bijna alleen maar eerder vertoonde of zelfs beproefde oplossingen, die alle betrokkenen wel kennen of anders zelf kunnen verzinnen. Ik kan me niet voorstellen dat iemand op deze huisvlijt zit te wachten. Waarom niet de plannen zelf beter geïllustreerd?

Kortom: laat dit volstrekt overbodige boek vooral links liggen en bekijk de presentaties van de deelnemende architecten (en als je echt wilt ook de teksten van het boek) op www.levedetuinstad.nl . Laten we intussen hopen dat STAWON en de subsidiegevers hun geld voortaan beter besteden, en dat ook die laatste koppige architecten begrijpen dat iedereen er beter van wordt als ze gewoon waarmaken wat ze beloven.