Recensie —

Goeiedag Lenin!

Stefan Bendiks

Op de Faculteit Bouwkunde van de TU Delft is nog tot 20 mei de tentoonstelling ‘Zwei deutsche Architekturen’ te zien. ‘Twee ‘richtingen’ in de Duitse architectuur’ luidt de Nederlandse titel, het subtiele verschil geeft al aan waarover het gaat: de voorwaarden van de architectonische ‘Wiedervereinigung’.

De tentoonstelling tracht naar eigen zeggen 'voor het eerst een overzicht te geven van de geschiedenis van de architectonische ontwikkelingen in de beide Duitslanden'. Zal er nu 'meer dan vijftig jaar na de oprichting van de Duitse Bondsrepubliek en de Duitse Democratische Republiek en ruim tien (is het inmiddels niet bijna vijftien jaar geleden?!) jaar na hun hereniging' eindelijk de nodige tijd verstreken zijn om enigszins ongehinderd door politieke agenda's terug te kijken op de recente Duitse (architectuur)geschiedenis?

De taferelen rond het Volkspalast in Berlijn doen sterk vermoeden dat dit niet zo is. De 'pre-emptive strike' manier waarop geprobeerd werd de sloop een voldongen feit te laten zijn, door onder het mom van asbestverwijdering het gehele interieur te strippen, lijkt meer op een architectuurhistorische 'Anschluss'. De titel 'Zwei deutsche Architekturen' laat misschien iets anders vermoeden, maar het is in Duitsland nog verre van vanzelfsprekend om ook socialistische gebouwen als architectuurhistorisch relevant te beschouwen. Het architectonisch erfgoed van de DDR is politiek nog steeds een gevoelig onderwerp.

Er wordt dan ook alles aan gedaan om de tentoonstelling zo politiek correct mogelijk over te laten komen. De (West-Duitse) curator Hartmut Frank laat zich tijdens de openingspeech verleiden tot de in het kader van de tentoonstelling avontuurlijke stelling dat het werk van een architect onafhankelijk is van het politieke systeem waarin hij werkt. Alleen het bouwproces is volgens hem van het politieke systeem afhankelijk. Zijn Oost-Duitse alter-ego Simone Hain poogt even later de ethische en culturele betekenis van een architectuurtentoonstelling verder op te rekken. Ze ziet in de gedocumenteerde bouwproductie van Duitsland tussen 1949 en 1989 een moedgevend voorbeeld voor oorlogsgebieden als het voormalige Joegoslavië en Irak. Was dat maar zo gemakkelijk.

Ook met de tentoonstellingsopzet is er een indrukkwekkende inspanning geleverd om niet één van de twee Duitse 'architecturen' te bevoordelen. Vanzelfsprekend kent de tentoonstelling twee curatoren, een mannelijke uit het westen en een vrouwelijke uit het oosten; het in Duitsland recent veel gebruikte principe van de 'Doppelspitze' (met Stoiber/Merkel, als minder geslaagd voorbeeld). In tegenstelling tot de daadwerkelijke bouwproductie omvat de tentoonstelling bijna evenveel projecten uit beide landen. Dit met het achtenswaardige doel zoveel mogelijk archiefmateriaal uit de DDR toegankelijk te maken voor onderzoek. Ook is er geen chronologische volgorde in de getoonde projecten aangehouden om de kwestie van innovatie en imitatie te ontlopen. De projecten zijn volgens bouwopgaven en architectuurdiscoursen geordend, van 'hoofdsteden' tot 'transport' en van 'reconstructie' tot 'critical contextualism'.

Een inspanning die uiteindelijk succesvol moet worden genoemd. Over het algemeen werkt de neutraliserende opzet zoals bedoeld, met uitzondering van specifieke categorieën als eengezinshuizen (zijn er blijkbaar niet in Oost-Duitsland), cultuurhuizen (zijn er blijkbaar niet in West-Duitsland) en gedenkplaatsen (die zowel in Oost- als West-Duitsland te vinden zijn) die meedogenloos de respectievelijke politieke invloed aantonen. Hier wordt 'Zwei deutsche Architekturen' het spannendst.

De zelfgestelde doelstelling heeft de tentoonstelling bereikt. Ze wil een kader bieden waarbinnen we het kunnen hebben over architectuur, niet over ideologie. Hier ligt dan ook de essentie van het project 'Zwei deutsche Architekturen': mensen bewust maken van het bestaan van twee 'architecturen'. In hoeverre deze van elkaar verschillen of niet, lijkt voor de initiatiefnemer, het Institut für Auslandsbeziehungen, in eerste instantie niet de belangrijkste vraag. De bedoeling is vooral de Oost-West dialoog te bevorderen.

Toch had 'Zwei deutsche Architekturen' meer kunnen zijn. De tentoonstelling had verschillen in Oost en West niet alleen kunnen aanduiden maar ook op een positieve manier kunnen benoemen en tot inzet maken van een andere omgang met de geschiedenis. Een houding die uiteindelijk de, niet alleen architectuurhistorische, waarde van het socialistische Duitsland erkent. Minder politiekcorrect wellicht, maar relevant. 'Zwei deutsche Architekturen' had kunnen verdergaan waar het moeilijk, maar ook interessant wordt; op het raakvlak tussen architectuur en politiek.

Het verzoenende is dat de tentoonstelling ook los van de politieke laag de moeite van een bezoek waard is: prachtige gebouwen, veel bekende, maar vooral uit Oost-Duitsland ook veel verrassende vondsten, compact gedocumenteerd en volgens een Nederlandse bezoeker met 'deutscher Gründlichkeit' gepresenteerd: '…zelfs de archieflades lopen als vanzelf.' Helaas hebben maar 39 mensen de weg naar de opening kunnen vinden; de aanwezige curatoren, organisatoren en gastheren meegeteld. Het feit dat de tentoonstelling op een tussenverdieping van de bouwkunde foyer enigszins verstopt ligt terwijl de opgeslagen transportkratten de entreehal op de begane grond in beslag nemen, is dan ook ongelukkig te noemen. Jammer, want 'Zwei deutsche Architekturen' verdient zeker en op meerdere niveaus de aandacht.