Feature —

Het Ornament

Stan van der Maas

Vrijdag 29 april vond op de faculteit Bouwkunde in Delft het symposium Ornament plaats. Waarom de leerstoel Interieur en het tijdschrift Oase dit organiseerden? ‘Omdat het in de lucht hangt,’ verklaarde Oase-redacteur Christoph Grafe tijdens de introductie.

Het ornament is terug. Een snelle blik in Oase #65 laat geen twijfel over waar we moeten zoeken. Herzog & de Meuron. Het werk van de Zwitsers dient steeds als startpunt in de discussie over het ornament. Ook Venturi, Koolhaas, en Neutelings komen vandaag voorbij en voeden, elk op een eigen manier, het debat. Met het tijdschrift en het symposium doen de organisatoren een poging de nieuw opgekomen ontwerphoudingen te begrijpen.

Andreas Hild van het Duitse Hild und K gaf genereus gehoor aan de roep om verduidelijking. In de meest sprekende presentatie van de middag nam hij de zaal mee door de geschiedenis van zijn bureau. Hij koppelde zijn projecten steeds expliciet aan zijn veranderende visie op ornamentatie. Opgeleid in Zwitserland als 'eerlijke, degelijke architecten' kwamen Hild en zijn compagnon er bij hun eerste opdracht achter dat eenvoudige dozen maken in de praktijk niet zo eenvoudig was. 'Being correct architects was exhausting, and boring!' Het werk werd speelser, ironischer. Een bushalte in Landshut markeert de omslag. Het oorspronkelijke voorstel was een Richard Serra-achtige plaat cortenstaal, sculpturaal gebogen tot een bushalte, maar de opdrachtgever eiste meer transparantie. Hild en zijn compagnon gingen bij constructeur en lasertechnicus op zoek naar verantwoorde richtlijnen om de plaat te perforeren. Tevergeefs. Technisch bleek alles mogelijk. Als 'intellectueel statement' kozen ze een willekeurig patroon uit een 19e eeuws boek over ornamenten. Het resultaat? Een betoverend mooi bushokje. 'This was not the idea!' grijnst Hild de zaal in. Maar het opende wel een schatkist aan mogelijkheden. 'We can use all forms and patterns available to us from the existing pool of architecture, just as we use existing words when we speak to make sense.' Architectuur als taal dus, soms letterlijk, soms als spel. Rechtstreeks gekopieerd uit het verleden, of 'zelfgemaakt,' zo blijkt uit de projecten die volgen. Inmiddels neemt het ornament een minder brutale plaats in in het werk van Hild und K. 'It's a word in the dictionary of our architecture,' en wordt aangewend waar Hild dat zinnig acht. Met Venturi verwerpt hij the duck, architectuur als metafoor voor iets anders. Hild blijft liever bij de 'culturele taal' van de architectuur zelf.

Hoezeer het denken over ornament tijd- en plaatsgebonden is, bewees Udo Garritzman in de tweede, wat academische presentatie. In vogelvlucht kwamen Bötticher, Semper, Loos, de Moderne Beweging en Venturi voorbij, om te eindigen bij, natuurlijk, Herzog & de Meuron. Centraal stelde Garritzman het begrip dressing, Semper volgend in zijn verwijzing naar geweven kleden, en daarmee naar patroon en kleur, als 'essentie' van de wand. Ook Loos en de Moderne Beweging bekleedden hun gebouwen in wit stucwerk, dressing dus. Venturi bracht kleuren en patronen als afbeeldingen op zijn gebouwen terug, waar Herzog & de Meuron het ornament tenslotte als materiaal zijn gaan gebruiken. Zij 'construeren met ornament'.

Een architectuur die zo sterk gericht is op haar omhulling baarde Mark Pimlott zorgen. Het gereproduceerde beeld van een gebouw in de media lijkt belangrijker te zijn geworden dan het gebouw zelf. Op zijn minst kun je zeggen dat het gemedieerde bestaan van een gebouw haar materiele bestaan 'in de echte wereld' beïnvloedt. Koolhaas = Prada, architectuur komt in de vergelijking niet meer voor. Het lijkt zichzelf te verliezen in de drang naar de status van mode, reclame of beeldende kunst en reduceert de rol van de gebruiker tot die van beschouwer.

Paul Robbrecht (Robbrecht en Daem Architecten) vroeg zich openlijk af wat hij op een symposium met het ornament als onderwerp deed. Deze ongemakkelijkheid kwam terug in zijn verhaal, dat richtingloos kabbelde over kleurkeuzes voor het concertgebouw in Brugge en een busstation in Leuven. Aangekomen bij het Rubensplein in Knokke kwam Robbrecht toch nog tot een stelling. Het plein is random betegeld in een set 'maritieme kleuren', op de witte tegels na, die juist in een grid liggen. De schelpvormige topografie van het plein wordt hierdoor leesbaar. 'Decoration can help to emphasize abstraction', stelde Robbrecht, alvorens hij zich weer naar Gent spoedde.

Grafisch vormgever Karel Martens liet het theoretiseren achterwege. Hij toonde balancerende neonletters op Koolhaas' danstheater, poëzie en patronen op gebouwen van Neutelings en anderen. 'Tekst geabstraheerd tot ornament', want het gedicht op het Vechtman-gebouw is nauwelijks leesbaar. Om die betekenislaag lijkt het ook niet te gaan. Martens werk is vooral een plezier voor het oog.

Tony Fretton kwam als laatste aan het woord en besprak zijn schetsen voor de Britse ambassade in Warschau en het gebouw voor Het Oosten in Amsterdam. Hij distantieerde zich van het ornament. 'I don't want to do it!' Fretton prefereert  andere middelen om tot een communicatieve architectuur te komen, zoals het gebruik van bestaande types, geleding en vorm in de constructie, aandacht voor de manier van verlichting. 'Richness without ornament'.

Gooit Fretton hiermee de deur naar het ornament weer dicht? Voor een discussie met het publiek was het te laat, de sprekers waren vermoeid en de zaal was inmiddels aardig leeg. Het symposium richtte zich meer op hoe architectuur communicatief kan zijn, en hoe het ornament daar een rol in kan hebben, dan op een terugkeer naar ornamentatie om zichzelf. Het ornament in een context van een rijkere, communicatieve architectuur dus. Wat mij betreft een waardevolle focus van de discussie in een bij vlagen uitbundige middag.