Recensie —

Rafael Moneo

Bert de Muynck

In zijn boek ‘Theoretical anxiety and design strategies’ bespreekt Rafael Moneo het werk van acht ‘hedendaagse’ architecten. Hedendaags tien jaar geleden welteverstaan.

De Spaanse architect Rafael Moneo (1937, winnaar Pritzker Prize 1996) bouwde o.a. het Houston Museum of Fine Art, het Atocha Railway Station in Madrid, het Stockholm Museum of Modern Art and Architecture en het Potzdammer Platz Hotel te Berlijn. Daarnaast geeft Moneo les te Harvard en is architectuurcriticus. Die combinatie, aangevuld met kennis van het bouwen, leverde het boek Theoretical Anxiety and Design Strategies in the Work of Eight Contemporary Architects op. Hoewel het boek wat inhoudelijke consistentie mist en van wisselend analytisch en kritisch niveau is, slaagt Moneo er in om uit het werk van James Stirling, Robert Venturi, Aldo Rossi, Peter Eisenman, Alvaro Siza, Frank Gehry, Rem Koolhaas, en Jacques Herzog & Pierre De Meuron net die essentie te putten die maakt dat de architecten het predicaat contemporary overstijgen.

In het boek zijn de lezingen verzameld die Moneo tussen 1992 en 1994 gaf aan de Harvard Graduate School of Design, met uitzondering van de stukken over het werk van Venturi en dat van Herzog & de Meuron, die zijn later geschreven. In zijn voorwoord verantwoordt Moneo de keuze van zijn titel als volgt: 'I use the word 'anxiety' because the study of architecture has in recent times been tackled in a way that is closer to reflection and critical discourse than to any desire to elaborate a systematic theory. (…) The other term needing explanation is 'strategies.' Here this refers to the mechanics, procedures, paradigms, and formal devices that recur in the work of architects – the tools with which they give shape to their constructions.'

De architecten danken hun aanwezigheid in het boek aan hun grote invloed op het denken en de ontwerpen van architectuurstudenten tijdens de jaren zestig (Stirling, Venturi en Rossi), zeventig (Eisenman), tachtig (Siza en Gehry) en negentig (Koolhaas en Herzog & de Meuron). Iedere architect (allemaal mannen, de tandem Venturi-Scott Brown uitgezonderd) krijgt in het boek grofweg vijftig bladzijden toebedeeld, met haast evenveel illustraties van het werk. De structuur van een architectuurlezing is duidelijk zichtbaar, er is de introductie met een overzicht van de evolutie van de belangrijkste concepten waarmee de architect werkt, daarop volgen zijn intenties, waarna een chronologisch overzicht van de belangrijkste projecten van de architect in kwestie wordt gegeven.

Het boek leest door de korte vertogen, snelle opeenvolging van projecten en het lucide taalgebruik van Moneo vlot weg. Het zijn dan ook geen objectieve academische introducties op het werk, maar compacte en subjectieve samenstellingen van wat Moneo zelf interessant vindt in werk en theorie van de architecten.

In het boek is een duidelijke dichotomie zichtbaar. Bij Moneo's generatiegenoten (Stirling, Venturi-Scott Brown, Rossi en Eisenman) worden de theorie en het werk helder ontleed. Zo schets hij een fascinerende evolutie van Stirling's focus op de sectie tot die van het plan (en het gevolg daarvan), de overgang van de Complexity and Contradiction naar de Learning Venturi, de overgang van kennis naar gevoel in het werk van Rossi en tenslotte de oorsprong en doorwerking van de postmoderne strapatsen van Eisenman. Aan de andere kant zijn er de architecten waarvan het werk in het begin van de jaren negentig nog in volle ontwikkeling leek te zijn. Ze onderscheiden zich niet enkel daardoor van de eerste vier, maar ook (met Koolhaas als uitzondering) omdat de architecten door de jaren heen geen theoretisch, ideologisch en kritisch oeuvre hebben opgebouwd waaraan hun architectuur getoetst kan worden. Moneo's inleidende teksten bij Siza, Gehry en Herzog & de Meuron kenmerken zich dan ook jammergenoeg door poetisch architectuurkritisch geneuzel (zeker als Siza wordt afgezet tegen Pessoa). Nog minder duidelijk is waarom in deze stukken het werk van de besproken architecten plots tegen dat van anderen wordt afgewogen, het leidt de aandacht af. Scherp is Moneo als hij zich in de bespreking van projecten ontpopt tot een ietwat onderkoelde criticus, zoals over het IJ-plein project van Rem Koolhaas: 'Koolhaas is perhaps aware that this is not an exceptional project, and this may explain why the work is more often than not presented in night shots that might well serve as the opening scene of a film meant to portray the solitude of people living on the outskirts of big cities.'

Globaal bekeken zijn de verzamelde lezingen een goede introductie op, ontmoeting met of herlezing van, het werk van de architecten die het architectuurpantheon bevolken. Het is een snelcursus in en overzicht van wat de moderne architectuur na 1950 heeft opgeleverd en dat samengesteld door een architect (en niet door één of andere lakei, paus of admiraal, die kennen we allemaal). Rafael Moneo maakt gebruik van zijn ervaring, kennis en inzicht in de wereld van de architectuur en het onderwijs om scherp te ontleden waar het in de architectuur, theorie en filosofie van deze architecten om draait. Hij creëert geen mythes, maar toont hoe de architecten midden in hun wereld staan én bedacht zelf een mooie samenvatting van zijn boek: 'Comparison to the seven other architects of these lectures is inevitable. On one hand we have Herzog & de Meuron's willing emphasis on professional practice. On the other, the more radical attitudes of those who proclaim themselves theoreticians (Eisenman, Rossi, Koolhaas), those who indulge in sophisticated provocation (Gehry, early Venturi), and those who followed a narrow path in professional work in order to make a name for themselves (Stirling, Siza).'