Feature —

Bijbelse wijsheden, Sleutelen aan het landschap van Parkstad

Joks Janssen

Woensdagavond 8 juni kwam een klein groepje belangstellenden bijeen in de filmzaal van het prachtig opgeknapte Glaspaleis van Peutz in Heerlen, om er te luisteren naar een lezing van Harro de Jong, docent landschapsarchitectuur aan de Wageningen Universiteit.

De lezing maakte onderdeel uit van de door Vitruvianum georganiseerde vijfdelige reeks Urban identity Euregio Parkstad Limburg. Doel van de reeks is om de recente ruimtelijke ontwikkelingen in de Euregio, zowel oostelijk Zuid-Limburg en de regio Parkstad Limburg (Heerlen e.o.) te tonen en te kijken hoe de ruimtelijke identiteit van de regio gedefinieerd en versterkt kan worden. Sinds de sluiting van de mijnen kampt de Oostelijke Mijnstreek immers met een moeizame sociaal-economische en culturele ontwikkeling. Waar het nabijgelegen Maastricht zich profileert als culturele hoofdstad van het zuiden, als plek waar het ‘goede leven’ geleefd kan worden, daar is het profiel van de regio rond Heerlen minder duidelijk. Maastricht profiteert van haar historische identiteit, en weet deze op slimme en succesvolle wijze uit te bouwen en te vernieuwen. Heerlen daarentegen worstelt met de industriële erfenis die zich in het landschap heeft geëtst en met de versnipperde ruimtelijke structuur, die het gevolg is van een al even versnipperde bestuurlijke context.

Voor de toekomst van Parkstad is het noodzakelijk dat gewerkt gaat worden aan de specifieke culturele en landschappelijke kwaliteiten van de regio. Dit niet alleen om een zekere ruimtelijke samenhang te creëren, maar ook om zich te kunnen positioneren in de verhevigde euregionale concurrentiestrijd om private investeerders. Regio’s worden in hun ontwikkeling immers in toenemende mate afhankelijk van hun ‘culturele lading’. Door de toegenomen mobiliteit van huishoudens, processen van mondialisering en een groeiende middenklasse van zogenaamde ‘opwaarts mobielen’, is de behoefte aan regionale identiteit en eigenheid alleen maar toegenomen. Deze aandacht richt zich op de symbolische kwaliteit van de vestigingsplaats, het woon- of leefmilieu. Aspecten als attractiviteit, belevingswaarde, bereikbaarheid en ruimtelijke kwaliteit gaan een steeds grotere rol spelen in de vestigingsplaatskeuze van bedrijven en bewoners, daartoe ondersteund door de groeiende welvaart en individualisering. Mensen stellen hun eigen ruimte samen uit dit aanbod van diverse milieus, plaatsen en plekken. Naast de traditionele vestigingsplaatsfactoren als bereikbaarheid, kosten en functies, is de omgevingskwaliteit en sociaal-culturele diversiteit van steeds groter belang. Regio’s moeten in de eerste plaats creatief en aantrekkelijk zijn en een gedifferentieerd pakket aan functies, diensten en milieus aanbieden.

De Wageningen Universiteit poogt daar, in opdracht van Jan Houwen (provincie Limburg) een bijdrage aan te leveren door een studie te verrichten naar de landschappelijke kwaliteit van Parkstad. De provincie heeft al eerder ontwerpstudies geëntameerd naar deze regio, onder meer in de succesvolle manifestatie Drie over Dertig. Gesubsidieerd door Belvedere-gelden is de richting nu echter een geheel andere. Het culturele erfgoed staat centraal in de zoektocht naar landschappelijke kwaliteit en eigenheid. Harro de Jong maakte duidelijk dat de Wageningse studiegroep, waarin onder meer Klaas Kerkstra en Peter Vrijland zitting hebben, bouwstenen aanlevert voor een Landschapsontwikkelingsplan Zuid-Limburg. Daarbij willen ze een landschappelijk raamwerk construeren dat de verschillende, nu nog grotendeels onzichtbare cultuurhistorische objecten, weer op de kaart kan zetten. Uit onderzoek blijkt dat deze objecten zich vooral in de dalenstructuur bevinden, de lager gelegen, natte delen van de regio. Verschillende cartografische analyses die De Jong toonde, maakten duidelijk dat dit erfgoed als een ‘zwerm’ over het landschap is verspreid, en dat een kapstok nodig is om ze aaneen te smeden, en daarmee zichtbaar en beleefbaar te maken. Daarbij zouden de dalen als verbindend element kunnen dienen om ecologie, recreatie, water en cultuurhistorie met elkaar te verknopen. Met een jongensachtig enthousiasme en een enigszins overtrokken bravoure deed hij enkele ontwerpprincipes uit de doeken waardoor de losse objecten weer beter kunnen worden opgediend in de meerduidige, meerkernige en meerlagige context van de Oostelijke Mijnstreek. En passant werd op enigszins naïeve wijze het modernisme van Le Corbusier schuldig verklaard aan de huidige stedebouwkundige drang om overal schoon schip te maken, tabula rasa te creëren en erfgoed te vernielen. Het lijkt na de intreerede van zijn hoogleraar Jusuck Koh inmiddels Wageningse usance om het modernisme dood te verklaren. Eveneens een Wageningse preoccupatie is het gebruik van Bijbelse spreuken om een betoog te onderbouwen. Ditmaal werd een toepasselijke spreuk uit Jesaja (40:4) gebruikt, om de Zuid-Limburgers te behoeden voor een al te gemakkelijke vernieuwingsdrang: ‘..alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden..’

Ondanks het feit dat De Jong aannemelijk wist te maken dat zich een rijke geschiedenis bevindt in de dalenwereld van Zuid-Limburg, en dat deze opnieuw herwaardering verdiend, bleef de verbinding met wijdere context van zowel de sociaal-maatschappelijke, culturele als bestuurlijke karakteristieken van de regio buiten beeld. De in het publiek aanwezige regionale autoriteit Nic Tummers merkte na afloop dan ook fijntjes op dat de specifieke sociale en religieuze geschiedenis van de regio niet in de beschouwing was meegenomen. De bevolking, bestuurders en bewoners ontbraken in het verhaal. Daarmee werd niet alleen een beperkte blik op de cultuurhistorische identiteit gegenereerd, namelijk alleen een fysiekmateriële, maar bleef ook de noodzakelijke relatie met de verhalen en wensen van de bewoners onbesproken. Cultuurhistorie wordt immers altijd door mensen gemaakt. Ze is onderdeel van een culturele biografie van de regio, die ook een mentale en culturele component kent. Het is niet alleen een eenduidige fysieke realiteit, maar ook een sociaal construct. Een andere commentator uit het publiek bleek geïrriteerd door de wijze waarop De Jong zich als buitenstaander met de streek kwam bemoeien. Daarmee werd feitelijk de belangrijkste kritiek geformuleerd. De vraag is immers of de identiteit van een gebied als integrerend kader voor regionale ontwikkeling zich nog laat ontwerpen door vakspecialisten die op afstand van de regio verkeren, om vervolgens in formele structuur- en landschapsontwikkelingsplannen te worden vastgelegd. Moeten we niet toe naar een meer dynamisch, innovatief en interactief planningsproces, waarin ontwerpers vanzelfsprekend een belangrijke rol vervullen, maar dan naast de bedrijven, bewoners en bestuurders uit de regio? Anders is de kans groot, zoals iemand in de wandelgangen na afloop suggereerde, dat het bij een ‘universiteitsproject’ blijft. En dat zou zonde zijn van de interessante ontwerparbeid die De Jong cum suis hebben verricht.