Feature —

PO BOX NL

Bert de Muynck

Op donderdag 23 juni vond in het ABC ArchitectuurCentrum een discussie over creatieve immigratie plaats, of ging het eigenlijk over de rise and fall of SuperDutch?

Toen Bart Lootsma eind jaren negentig onder de noemer SuperDutch een generatie Nederlandse architecten beschreef die zich kenmerkte door een combinatie van vindingrijkheid en vernuft, wat zich liet vertalen in een vormentaal die typisch Nederlands heette te zijn, kon Nederland haar geluk niet op. Eindelijk was daar het concept dat de Nederlandse architectuur van een zo begeerde mythische identiteit kon voorzien. Een half decennium later, blijkt SuperDutch haar beste tijd te hebben gehad en vooral de benaming te zijn voor een polderreus op lemen voeten.

In het ABC ArchitectuurCentrum te Haarlem is nog tot twintig augustus de tentoonstelling Creatieve Immigratie te zien. Hier wordt het werk getoond van architecten en grafisch vormgevers die leven en werken in Nederland; eerste en tweede generatie nieuwe Nederlanders die na de jaren 70 hier na toe kwamen, maar ook de werknemers en stagiaires die vandaag de dag bij gerenommeerde Nederlandse  architectenbureaus werken. Er is sprake van een multiculturele opkomst in de architectuurpraktijk aldus de curatoren. 'Over 5 tot 15 jaar bepalen zij (de nieuwe Nederlanders) voor een belangrijk deel de architectuurpraktijk. Zij werpen voor deze expositie een kritische blik op Typisch NL architectuur en hun eigen rol hierin.'

De tentoonstelling is samengesteld door de gastconservatoren van MEMAR.DUT©H en toont het werk van Artgineering, Casanova + Hernandez architecten, de Architekten Cie. / Branimir Medic & Pero Puljiz, Fün Design Consultancy, SMAQ, Elastik, Olaf Gipser, Olga Vázquez-Ruano en Moriko Kira.

Ter gelegenheid van de expositie werd op 29 juni een discussieavond georganiseerd waarbij alle architecten aanwezig waren en die onder leiding stond van Roemer van Toorn (Berlage Instituut) en Olga Vázquez-Ruano, de voertaal was Engels. Als inleiding stelden de voorzitters dat deze culturele gastarbeiders een kwaliteit van de afstand hebben, zowel ten opzicht van hun thuissituatie, als van de nieuwe, de Nederlandse. De avond werd opgehangen aan drie vragen, één over de check-in-situatie, één over het should I stay or should I go-moment en ten slotte de kritische blik op de eigen positie, eentje van een creatief bi-cultureel platform dat hen de mogelijkheid moet bieden om de SuperDutch-ziekte te vermijden.

Meer dan de helft van de aanwezige architecten kwam in de tweede helft van de jaren negentig naar Nederland om te werken voor OMA, UN Studio, MVRDV of om te studeren aan het Berlage Instituut. Die omstandigheid ontlokte bij één van de architecten zelf de opmerking dat door haar verblijf op die internationale eilanden ze  pas na twee jaar doorhad dat ze in Nederland was. De overkoepelende analyse was dat men als architect wel overal ter wereld aan de slag hadden kunnen gaan, maar dat de open-minded society, het specifieke van het architectuurklimaat, en de economische middelen die er waren voor het ontwikkelingen van ideeën, hen naar Nederland hadden gebracht. Kortom een situatie waarin het creatief en fris opportunisme een slagkrachtige alliantie aangaan. Dit gold zowel voor de  werknemer als voor de werkgever; de buitenlandse architect heeft namelijk per definitie geen familie en sociaal leven, en is daardoor makkelijker te verleiden om langere dagen te maken.

De vraag wanneer de architecten hadden besloten om in Nederland blijven of terugkeren, werd aangesneden op het creatieve niveau. Het wegvallen van de zwaarte van de eigen cultuur, het loslaten van culturele dogma's en de naïviteit van de gastarbeider brachten deze architecten in een situatie van schijnbaar ongekende vrijheid en voldoening. Ze werden langzaam geNL-iseerde arbeiders, hun creatieve vrijheid ging een dialoog aan met de top-down georganiseerde planningstructuur in Nederland. De taalbarrière bleek enerzijds een dam om de eigen inventiviteit te kunnen behouden, je snapt toch niet alles van wat ze zeggen en creëert daardoor vrijheid, maar tegelijkertijd bleek het ook echt een barrière als het aankomt op het concretiseren van die ideeën binnen een SuperBureaucratie. Zeker wanneer vastgesteld moet worden dat de typische SuperDutch-opdrachten steeds minder en het seriewerk steeds talrijker worden. Tegelijkertijd is Nederland voor de Creatieve Immigranten niet exclusief het werkterrein. In die zin blijft NL nog altijd een label dat het goed doet om in Albanië, China, Spanje of Amerika projecten te werven, Nederland als postbusadres.

Onder de invloed van een tweede modernisering trokken van heinde en verre architecten naar Nederland op zoek naar het architecturale manna. We zijn tien jaar verder en het is meer dan interessant om deze diverse groep samen te brengen. Alsnog blijft het echter onduidelijk of deze creativiteit ook tot een nieuwe vormentaal leidt. De discussie had soms wat gezellige praatgroepallures. Er werd jammer genoeg niet gesproken over projecten die de concrete doorwerking van de immigratie kunnen zijn – daarbij niet denkend aan de ontwerpopdrachten voor moskeeën die als een vergiftigd geschenk aan tweede of derde generatie immigranten worden toebedeeld. Toch zijn dergelijke discussie hoogst nodig voor de ontwikkeling van een discours dat verder gaat dan krachttermen als hybride, eclectisch, geglobaliseerd of cross-over.