Feature —

Spoorwegmuseum wordt spoorattractiepark

Erik Stekelenburg

‘Niet het mooiste, belangrijkste of interessantste, maar het leukste museum van Europa’, zoals de directie het nieuwe Spoorwegmuseum ziet, opent op 5 juni. Het bestaat uit twee delen, de restauratie van het bestaande onderkomen: imitatie van de oorspronkelijke toestand van het Maliebaanstation uit 1847 en een nieuw onderkomen: de ‘locomotievenloods’ met aparte werelden.

De directe aanleiding voor de vernieuwing was volgens directeur Paul van Vlijmen de noodzaak om de treinen – het rollend materieel – te behoeden voor het buitenklimaat. Het klimaat verslechterde in steeds sneller tempo. In 1992 was 5 miljoen gulden besteed aan het restaureren van rollend materieel en in 1998 vielen daar de eerste gaten al weer in. De huidige overkappingen moesten daarom plaats maken voor een afgesloten ruimte, een forse ruimte gezien de afmetingen van de rollende museumstukken. Van Vlijmen greep deze gelegenheid aan voor een ingrijpende vernieuwing, ook van het museumconcept. Hij vroeg en kreeg daarvoor een budget van 70 miljoen – toen nog – guldens.

Van Vlijmen vond dat de hoogtepunten uit het industriële tijdperk het best tot zijn recht zouden komen in 'een 19e eeuwse site'. Hij had daarbij de locomotievenloods bij station Roosendaal op het oog. Saillant detail is dat onafhankelijk hiervan, rond dezelfde tijd een student aan de TUDelft verliefd werd op die loods. Omdat grote driedimensionale objecten er zo goed tot hun recht kwamen, werd de herbestemming van de loods tot museum zijn afstudeerproject.

Restauratie

Het nieuwe onderkomen kon meteen plaats bieden aan de collectie uit het oude Maliebaanstation. Het Maliebaanstation kwam zo vrij en is door restauratiearchitect Leo Wevers van bureau Vlaardingerbroek & Wevers gereconstrueerd naar de oorspronkelijke toestand. Van de interieurafwerking kon alleen in de hal nog het origineel worden achterhaald. Er zijn een paar kleurvensters naar de eerste lagen gemaakt. De nabootsing van de originele beschildering is boven op het 'archief' van zeventien verflagen aangebracht met minerale verf.

Het station is nu zelf een museumstuk, maar wel functioneel: aan de oorspronkelijke functie is een andere draai gegeven. Het station wordt Halte Spoorwegmuseum. Aan de loketten worden de toegangskaartjes verkocht en de wachtkamers en stationsrestauratie functioneren weer. Verder wordt het verhuurd voor verschillende bijeenkomsten, de eerste bruiloften zijn al geboekt: de receptie kan worden gecombineerd met een etentje in een museumrijtuig.

Een ding is verloren gegaan. In 1874 was er nog sprake van drie klassen. De ruimte van de reeds gesloopte toiletten derde klas wordt nu ingenomen door de koninklijke wachtkamer van station Den Haag Centraal. De wachtkamer 3e klasse is er wel, aangevuld met de bar uit station Bergen op Zoom. De wachtkamers en toiletten van de eerste en tweede klasse waren al samengevoegd bij de bouw vanwege de schaal van het station. Na de entree en het inchecken in een station uit 1874 wordt de bezoeker in het nieuwbouwgedeelte in aparte 'werelden' langs de hoogtepunten van de treingeschiedenis geleid.

Nieuwbouw

De plannen voor de nieuwbouw waren niet in een keer goed. Er passeerden ambitieuze plannen die veel weerstand uit de buurt ontmoetten. Het keerpunt kwam toen 3D Blueprint de wensen op haalbaarheid toetste en vertaalde in 'een soort luchtdozen'. Architect Gert-Jan de Jong van ARC² Architectuurstudio spreekt over een (3D) bouwprogramma of haalbaarheidsmodel. Alles werd ondergebracht in een, over de locatie uitgesmeerd, aaneengesloten volume. Met een ruime afstand tot de rand van de locatie. Terwijl daarvoor de vrije buitenruimte juist in de vorm van een binnenplein aan het museum was toebedeeld.

ARC² Architectuurstudio vertaalde het (3D) bouwprogramma in een loods- of werkplaatsachtige ruimte met drie door het dak prikkende zelfstandige volumes. Die volumes zijn door decorbouwers ingericht voor de 'werelden' van 1800-1850, 1860-1900 en 1918-1945. Het zadeldak helt licht, de nok loopt evenwijdig aan het spoor en is vormgegeven als daklantaarn. De lichtstraat stuurt de oriëntatie in het hele pand en zet de onderliggende constructie in een zee van licht: een rij geweivormige kolommen met loopbrug draagt een ca. 160 meter lange driehoeksligger.

De geweivorm verkleint de overspanning van de driehoeksligger van dertig naar twintig meter. Daardoor kon het aantal kolommen worden beperkt tot vijf. Aan de driehoeksligger hangen 30 meter lange vakwerkspanten die op stalen kolommen in de gevel rusten. Op de vakwerkspanten liggen 'spacedaken' van Holterman: een soort omgekeerde breedplaatvloerwapening zonder beton. Het wapeningsnet op 30 cm hoge tralieliggers overspant 10 meter. Hierop ligt de isolatie en de dakbedekking. De dampremmende laag van de isolatie is meteen de plafondafwerking. De vloer is bestraat. Het bescheiden afwerkingsniveau dat bij een loods hoort zorgt niet alleen voor de broodnodige besparingen maar ook voor een goede inpassing in de buurt. Zelfs voor mensen uit de omgeving lijkt het alsof het gebouw er altijd al stond. Om dit te bereiken is het metselwerk 'oud' vormgegeven.