Recensie —

Stevige binnenvetters

Vladimir Stissi

Frans van Gool zou een tamelijk onopgemerkte architect van opvallende gebouwen zijn gebleven, als zijn twee kantoorvilla’s aan de Amsterdamse Weteringschans in 1979 niet aanleiding waren geworden voor een enorme rel over de kwaliteiten van ‘moderne’ architectuur.

Sindsdien is er altijd wel aandacht geweest voor zijn persoon en werk. Nadat in 1993 al een nummer van het tijdschrift Forum aan hem gewijd is, ligt er nu een forse monografie: 285 pagina’s, rijkgeïllustreerd met foto’s, plattegronden en tekeningen uit het niet eens zo omvangrijke oeuvre én een serie foto’s die Van Gool zelf de laatste jaren in Zuid Europa maakte.

Al met al een flink pakket dus, en een bijzondere monografie ook: het grootste deel van de tekst bestaat uit een terugblik van Van Gool zelf op zijn leven en werk. Deze autobiografische hoofdstukken worden afgewisseld door vlot leesbare essays van Bernhard Colenbrander, die ongeveer dezelfde projecten behandelen, maar dan in een wat bredere historische context gezet. Daarnaast zijn er korte tekstjes ter begeleiding van series afbeeldingen van de belangrijkste projecten. Hoewel de verschillende teksten soms wat overlappen en Colenbrander hier en daar misschien wat meer kritische afstand had kunnen nemen, is de gecombineerde aanpak buitengewoon geslaagd. Dit is eindelijk weer eens een keer een monografie die de diepte in gaat, die echt inzicht geeft in de beweegredenen en benaderingswijze van een architect. Bovendien biedt Colenbrander een duidelijke visie op het ‘waarom’ van Van Gools architectuur, en geeft hij de ontwerper en zijn gebouwen trefzeker een historische context.

Lichtelijk irritant daarbij is dat Frans van Gool Leven en Werk ondanks de genoemde kwaliteiten niet bepaald prettig leesvoer is. Dat ligt vooral aan de persoon Van Gool, die naar voren komt als een wat onaangenaam mens, die het met bijna niemand goed kan vinden en zijn collega’s, inclusief zijn bureaugenoten, niet spaart; zelfs over zijn eigen werk is hij soms behoorlijk kritisch. Dat eigengereide, onafhankelijke en stugge van zijn persoonlijkheid is trouwens ook volop terug te vinden in Van Gools architectuur, die nooit wil behagen en zelden een directe dialoog aangaat met zijn omgeving. Van Gool haat ook ‘therapeutische’ architectuur. Zijn gebouwen zijn stevige binnenvetters, en het is niet vreemd dat ze soms tot heftige woede hebben geleid.

Hier en daar vliegt de eigenwijsheid van Van Gool in zijn terugblikken een beetje uit de bocht, bijvoorbeeld als hij het ontwerp van de Rotterdamse Lijnbaan (na eerdere ontkenningen) als het zijne claimt. Alleen al uit zijn eigen beschrijving van de ontwerpgeschiedenis blijkt duidelijk dat het hier gaat om de klassieke situatie van een projectarchitect op een groot bureau die vindt dat zijn bijdrage miskend wordt. Ook Van Gools rol in de mislukte boekenserie ‘Wonen in Nederland’ wordt wat overgedramatiseerd, mede omdat Colenbrander ten onrechte stelt dat diens bijdrage het enige uitgekomen deel is (er zijn er minstens nog drie). Maar ach, dit soort dingen mogen best in een autobiografische tekst.

De analyses van Colenbrander vullen gelukkig de anekdotes en inzichten die Van Gool biedt op een prettige manier aan. Verwijzend naar architectuurtheoretische klassiekers van vooral Tafuri laat hij zien hoe Van Gool in veel opzichten als architect een product was van een tijd die vroeg om een efficiënte verpakking van leegte, en daarbij de sociale idealen die velen met de mond nog beleden eigenlijk al opzij had gezet. Tegelijk probeert Colenbrander uit te vinden wat het eigene van Van Gool in deze setting nu eigenlijk was, en ook daar slaagt hij (met hulp van de autobiografische teksten) goed in: anders dan veel tijdgenoten had Van Gool niet veel op met grote idealen of groots maatschappelijke engagement. Uiteraard zocht hij wel naar goed ingedeelde gebouwen, logische plattegronden en dergelijke, maar veel ingewikkelder was de menselijke kant van de architectuur voor hem niet. Ook zijn benadering van de ‘context’ van gebouwen, in alle betekenissen van het woord, was veel losser dan die van veel tijdgenoten, vooral in de jaren zeventig.

Uiteindelijk terugkijkend is het in dit verband bijna grappig dat de ‘villa’s’ met projectontwikkelaarskantoren aan de Weteringschans nu een vanzelfsprekend stuk van de stad geworden zijn, waar weinigen zich nog aan ergeren, en dat ook de meeste van zijn woningbouwprojecten de sloop- en renovatiewoede in Wederopbouw-Nederland redelijk lijken te overleven. Projecten als Plan van Gool/Het Breed in Amsterdam-Noord) of de ‘zaagtandwoningen’ in Slotervaart zijn zelfs bijna ikonen van naoorlogse woningbouw geworden. Hoewel ook flink wat projecten (winkelcentra en kantoren vooral) gesloopt zijn, heeft het beste, meest eigenwijze werk van Van Gool, verpakking of niet, blijkbaar toch een soort tijdloze kracht.