Feature —

Monument met een vraagteken

Lotte Haagsma

In het hart van Berlijn, tussen Brandenburger Tor en Potsdamer Platz, daar waar vijftien jaar geleden de muur liep, vlakbij de bunker van Hitler en diens Rijkskanselarij en niet ver van de Rijksdag ligt een grijs veld betonnen blokken. Het is het Denkmal für die ermordete Juden Europas, ontworpen door architect Peter Eisenman.

Op 10 mei 2005 werd dit holocaustmonument geopend na 17 jaar van plannen maken en verhitte discussies. Het initiatief kwam van publiciste Lea Rosh die in 1988 aandacht vroeg voor de oprichting van een nationaal monument in Berlijn, ter herinnering aan de slachtoffers van de jodenvervolging. Het idee werd in 1993 omarmd door toenmalig bondskanselier Helmut Kohl, waarna in 1994 een openbare prijsvraag werd uitgeschreven waarin kunstenaars en architecten gevraagd werden om een ontwerp te maken. Een kunstenaarsgroep uit Berlijn won de prijsvraag, maar hun ontwerp – een enorme betonnen plaat met daarin de namen van joodse slachtoffers van de Holocaust gebeiteld – riep door zijn brute omvang teveel weerstand op en werd uiteindelijk verworpen. Een aantal jaren later werd een nieuwe poging ondernomen, in 1997 werden verschillende kunstenaars en architecten uitgenodigd om deel te nemen aan een besloten prijsvraag. Uit de inzendingen werd het ontwerp van Peter Eisenman gekozen dat hij samen met kunstenaar Richard Serra had gemaakt – Serra trok zich later terug uit het project. Er volgde een periode van discussies en aanpassingen tot de Bondsdag in 1999 besloot tot de bouw van het monument. Als aanvulling op het abstracte monument werd besloten dat er een Ort der Information moest komen.

De locatie heeft een omvang van ongeveer 20.000 m2 met daarop 2711 blokken van 0.95m breedte en 2.38m lengte waarvan de hoogte varieert van nog geen millimeter tot meer dan 4 meter. De blokken zijn hol en gemaakt van glad afgewerkt beton. Het Denkmal is groot, en toch is het niet het megalomane monument geworden waar sommigen bang voor waren. Het veld ligt verdiept, waardoor zelfs de hoogste blokken het zicht op de omgeving niet wegnemen. De overgang van de straat naar het monument verloopt geleidelijk, aan de randen zijn de blokken laag en worden zij afgewisseld door lege plekken in het grid. Als men om en door het monument loopt verspringt het beeld telkens, geen uitzicht is hetzelfde. Het grid is strak, maar het maaiveld is glooiend en de blokken staan in verschillende richtingen iets gekanteld en zijn af en toe aan de bovenkant schuin afgesneden. Hierdoor ontstaat een effect van ingehouden chaos, of misschien beter: een zich moeizaam loswringende orde. Het grijs van het beton mag dan doods zijn, het monument als geheel is dat zeker niet.

Het is een abstract monument, er zijn geen symbolen te bespeuren, behalve misschien de associatie met grafstenen die de betonnen blokken door hun afmeting oproepen. Het is geen monument dat makkelijk ceremoniële handelingen met bloemenkransen verdraagt. Geen heroïsch naar de hemel reiken, maar met beide voeten op de grond.

Het monument wordt, al dwalend door de gangen langs de gladde en koele betonnen wanden waar het licht van de zon strakke schaduwlijnen op tekent, op een individuele manier beleefd. In het middengedeelte torenen de blokken hoog boven de bezoeker uit, maar naar de randen toe krijgt het oog weer de ruimte om het golvende veld van blokken af te tasten. Nergens voelt men zich opgesloten, steeds is daar aan het eind van het pad een glimp te zien van de gebouwen in de omgeving, de straat, of het park Tiergarten grenzend aan het monument.

Dit individuele perspectief overheerst ook in het informatiecentrum dat zich onder het monument bevindt. Als je de trap afdaalt is het alsof je een grafkelder betreedt, iedereen is stil, het licht is gedempt. De rondgang begint met een kort historisch overzicht van het verloop van de jodenvervolging en vernietiging. In de vier hoofdzalen is vervolgens vooral geprobeerd om de slachtoffers een gezicht te geven. Er zijn biografieën van families te vinden en tekstfragmenten uit dagboeken en brieven. De ruimtes zijn visueel met het bovenliggende monument verbonden, bijvoorbeeld door het vakwerk in het plafond dat dezelfde afmetingen heeft als het grid boven de grond.

De overgang van monument naar informatiecentrum is het enige echt problematische aspect van het ontwerp. Het was beter geweest wanneer het ingangsgebouw met de onvermijdelijke beveiligingmaatregelen en dranghekken niet in het blokkenveld had gestaan, maar bijvoorbeeld aan de overkant van de straat. Nu doorbreekt het de blokkenzee van het monument. Een betreurenswaardig feit dat waarschijnlijk het gevolg is van regelgeving en budgetten.

Volgens sommigen is het monument te abstract. Men kan niet letterlijk aan het monument aflezen waar het voor staat en daardoor zou de waarschuwende werking te klein zijn. Het is geen monument met een uitroepteken, maar met een vraagteken. Eenmaal afgedaald in het informatiecentrum kan men zich overigens moeilijk onttrekken aan de gebeurtenissen waaraan dit monument moet herinneren.

Eisenman wil met zijn ontwerp een gevoel van eenzaamheid en vervreemding oproepen bij de bezoeker, gevoelens die de vervolgden in de tweede wereldoorlog moeten hebben gehad. Die ambitie is niet helemaal gehaald. Zo beklemmend en desoriënterend werkt het niet. Het getuigt ook wel van enige overmoed om te denken dat je de verschrikkingen van toen zou kunnen oproepen met een monument, hoe ingenieus ontworpen het ook mag zijn. En waarom zou je dat ook willen; stil worden en een gevoel van het niet helemaal kunnen bevatten lijkt al een eerbiedwaardig streven en dat heeft dit monument zeker bereikt.