Opinie —

Niets doen

Piet Vollaard

Niets doen heeft een slechte naam. Toch kunnen er grote economische en architectonische voordelen mee worden behaald.

Gevraagd om een voorstel voor een bescheiden, maar ingewikkelde binnenstedelijke locatie schijnt de Belgische architect Luc Deleu ooit, na een uitvoerige analyse van locatie en gevraagd programma, als 'ontwerp' de aanbeveling te hebben ingediend om vooral niets te doen. Hoewel hij uitvoerig had gemotiveerd waarom afzien van bouwactiviteit de enig juiste oplossing voor het gestelde ontwerpprobleem was, werd zijn voorstel niet serieus genomen en zijn ontwerparbeid niet betaald. Enige jaren later bleek er ter plaatse nog steeds niets te zijn gebouwd en zag het er ook niet naar uit dat er ooit gebouwd zou gaan worden. Men was er kennelijk toch achter gekomen dat het hele idee om te bouwen op die plaats, onder de condities van dat moment, niet verstandig was. Deleu diende een rekening in aangezien zijn 'ontwerp' alsnog was uitgevoerd.

Of deze anekdote waar gebeurd is weet ik eigenlijk niet, maar het had waar gebeurd kunnen zijn. Waar het om gaat is dat dit verhaal duidelijk maakt dat niets doen een ondergewaardeerde handeling is. In elk geval wordt er geen architectonische of stedenbouwkundige, laat staan economische, waarde gehecht aan een voorstel om af te zien van bouwen. Ten onrechte, want de voorbeelden waarbij economisch en/of architectonisch voordeel te behalen zou zijn geweest, als er in plaats van te handelen (te bouwen) maar niets was gedaan, liggen voor het grijpen.

Ook in het architectonisch discours ontbreekt enige theorievorming over dit onderwerp. Willem Jan Neutelings is bij mijn weten de enige die ooit – als een van zijn principes van luiheid – het niet-bouwen serieus heeft genomen. Of hij dit principe vaak in de praktijk heeft gebracht is mij niet bekend, de productie van Neutelings Riedijk is sinds die tijd in elk geval niet merkbaar afgenomen (wat natuurlijk nog niet hoeft te betekenen dat er niet vele 'Niet Doen!'-adviezen zijn gegeven.)

Er liggen vele obstakels op de weg naar een maatschappelijk/economische acceptatie van het architectonische niets doen. De huidige honoreringsregelingen zijn daarbij een moeilijk te nemen hobbel. Aangezien het ontwerphonorarium nog steeds gebaseerd is op de bouwsom, wordt goedkoper bouwen nauwelijks beloond, en niet bouwen al helemaal niet. Terwijl er met het laatste toch een negatieve bouwsom kan worden gerealiseerd (denk bijvoorbeeld aan niet noodzakelijke sloopkosten) en de opdrachtgever dus aanmerkelijke kosten worden bespaard.

Om uit deze impasse te ontkomen moet er worden gewerkt aan de emancipatie van het niets doen. De overheid kan daarbij het voortouw nemen door, naast de bekende onderzoeken naar de economische voordelen van het niets doen (denk bijvoorbeeld aan de parlementaire enquĂȘte Betuwelijn), in het kader van het Actieplan Ruimte en Cultuur elk jaar een majeur overheidsproject te schrappen en daarbij de architectonische en/of stedenbouwkundige voordelen van deze actie uitvoerig te motiveren. Ook de BNA zou met een publieksbrochure 'Bouwen? Doe het niet!', met daarin opgenomen een honorariumtabel voor bespaarde bouwkosten, veel goed werk kunnen verrichten. In de aanloopfase zouden de honoraria voor Niet Doen!-adviezen bescheiden kunnen blijven, men moet de markt immers voorzichtig openen. Uiteindelijk moet een ruim percentage van de kostenbesparing in rekening kunnen worden gebracht.

Om de acceptatie van het niets doen te doen slagen is het noodzakelijk om een reeks aansprekende voorbeeldprojecten te verzamelen. In het kader van het ArchiNed zomeronderzoek 'Niets Doen' zijn wij daarom op zoek naar inspirerende voorbeelden van architectonische luiheid.