Feature —

Chinese krachten binnen de muren

Jan Willem ter Steege

Een buitenlander ziet in het huidige China vaak een collage van bekende architectonische elementen. Ze lijken het beeld te bevestigen dat China meer en meer op het ‘Westen’ gaat lijken. Nadere beschouwing brengt echter aspecten aan het licht die niet refereren aan buitenlandse invloeden, maar aan China zélf en aan een lange traditie van staatsvormen waarin de enorme bevolking georganiseerd en gecontroleerd werd.

Het communisme van Mao was slechts de laatste in een lange reeks Chinese dynastieën. Mao’s organisatie is – ondanks het door Deng Xiao Ping toegevoegde commerciële karakter – in het huidige China nog nadrukkelijk aanwezig. ‘Westerse’ invloed wordt voorlopig slechts aangewend als modern sausje.

De huidige Chinese bouwwoede heeft de aandacht van de wereld getrokken. Eindeloze hoeveelheden woningbouwprojecten veranderen het Chinese (stads)landschap. Deze bouwactiviteit kan direct worden teruggevoerd op Dengs beslissing in 1979 om de woningmarkt te commercialiseren. Hoewel de bevolking tijdens zijn bewind snel groeide, had Mao Zedong de productie van woningen lang terzijde geschoven als van later belang. Bij zijn dood in 1976 liet hij daardoor een groot woningtekort achter.

Mao’s 27 jarige regeerperiode stond geheel in het teken van industriële en agrarische productie. Door de concentratie op groei in deze sectoren moest de economische achterstand door de in China overgeslagen industriële revolutie versneld worden ingehaald.  “Productie eerst, goed leven later,” was het officiële motto. Als resultaat van deze onevenwichtige politiek ontstond een explosieve situatie ten aanzien van de woonomstandigheden. De gemiddelde chinees had 3.6 m² leefruimte tot zijn beschikking. Mensen woonden in fabrieken, scholen en gangen. In families werkte de vader ‘s nachts en de zoon overdag.

Deng Xiao Ping voorzag dat “ (..) het construeren van gebouwen winstgevend kan zijn ”. De huren werden verhoogd omdat ze slechts een kwart van de kosten dekten.

De eerste koopwoningen kwamen al in 1949 op de markt. Het zou nog tot het einde van de jaren tachtig duren tot de achterdocht bij de bevolking voor dit ‘elitaire’ voorstel was weggenomen en de huizen daadwerkelijk verkocht werden.

Vanaf 1992 worden er echter in razende vaart nieuwe projecten gerealiseerd, vooral omdat de koopkracht van de bevolking is toegenomen. Het ‘construeren van gebouwen’ is – ironisch genoeg gebaseerd op productietechnieken ontwikkeld tijdens Mao’s regime – de motor geworden van de groeiende Chinese economie.

Voor architecten lijkt China een wonderland zonder beperkingen. Maagdelijke bouwlocaties, vlak, uitgestrekt en leeggemaakt, die liggen te wachten op invulling. De enige beperking zou de ontwerpende verbeelding zijn. Opdrachtgevers hebben vaak 'world class' ambities. Termen als 'uniek' en 'sterk' zetten deze ambities kracht bij. Op de achtergrond spelen echter bouwregels die de overheid helpen de touwtjes in handen te houden.

De opdrachtgever van een project is meestal een projectontwikkelaar. Dit vak is niet oud in China, het bestaat pas sinds 1979 toen gebouwen in China weer verkocht mochten worden. Het is een lucratieve bezigheid gebleken. Deng moedigde partijleden aan om 'als eerste rijk te worden'. Vanuit dit perspectief ligt het voor de hand dat de overheid de grond het liefst aan overheidsgelieerde partijen verkoopt. Zo houdt men ondanks economische veranderingen de regie in handen. Het kopen van grond is daardoor een lucratief, maar wankel en elitair voorrecht. Een voorrecht dat niet is bestemd voor individuen.

Met deze elite-politiek wordt een participerende bevolking vermeden. De bevolking heeft het recht een huis te kopen, maar heeft geen beslissingsbevoegdheid met betrekking tot China's toekomstige inrichting. Hoewel ze niet worden uitgezocht op kwaliteit, hebben projectontwikkelaars die bevoegdheid wel. Vanuit hun (beginners-) perspectief, is het ontwikkelen van projecten een nerveuze onderneming. Een belangrijke taak van de Chinese architect is dan ook het geruststellen van de ontwikkelaar. Technisch heeft hij daarvoor 'het zoneren' tot zijn beschikking; het opdelen van een complex bouwprogramma in overtuigende hapklare delen.

In de Chinese traditie worden deze hapklare delen het liefst noord/zuid georiënteerd. Niemand kan helemaal uitleggen waar deze traditie vandaan komt. Er wordt wel gesuggereerd dat het vanwege een ideale oriëntatie t.o.v. de zon zou zijn. Feit is dat de paleizen van de keizer van oudsher noord/zuid georiënteerd werden.

Muren behoren eveneens tot het collectieve (bouw)bewustzijn. Aangezien er op dit moment nog weinig tijd voor reflectie op deze traditie is, worden bouwprojecten in China als vanzelfsprekend ommuurd.

Overheidsregels bepalen dat gebouwen ver van de rand van het kavel worden geplaatst. De minimale ruimte tussen gebouwen is gelijk aan de bouwhoogte. Vaak voorzien overheidsbepalingen tevens in een hoogtelimiet.

Door de combinatie van onervarenheid, tradities en een beslissende overheidsinvloed, blijkt een opdracht 'zonder beperkingen'  dus toch sterk bepaald. De functies zijn star van elkaar gescheiden, de vorm van de publieke ruimte ligt vast, straten worden wegen in het groen en nog maar één woningtypologie past binnen de gestelde voorwaarden: de aloude, ook in Maoïstische tijden geliefde, typologie van het appartement: een huis zonder grond.

Gevangen binnen dit ‘grondloze’ woningtype tracht de Chinese architect in toenemende mate verschillen te benadrukken. Appartementengebouwen worden uitbundiger en complexer. Stijlelementen in de gevels lijken direct gekopieerd uit Amerikaanse projecten. Uitkragende, vlakke ‘prairie’-daken, schoorstenen, porches, en een overdaad aan verschillende, opgeplakte materialen.

De dichtheid van een Chinees project is echter veel hoger dan in de Verenigde Staten. In eerste instantie kan een gebouw er uitzien alsof het een villa is. Onder dit laagje modern escapisme blijken zich uiteindelijk toch gewoon appartementen te bevinden.

Het appartementengebouw krijgt in plattegrond een getrapte vorm, natuurlijk noord-zuid georiënteerd. Het gebouw wordt daarmee opgedeeld, elk deel krijgt een eigen dak. Vervolgens wordt er per verdieping iets ‘individueels’ toegevoegd.  Het bovenste appartement krijgt een dakterras (appartementen in China strekken zich vaak uit over meer dan een verdieping), het middelste een balkon, het onderste een tuin. Overigens heeft de bewoner niet veel aan die tuin, hij mag er vaak geen bomen planten of een feestje geven: de grond behoort immers aan de staat.

Het staat buiten kijf dat de kwaliteit van de woningen in China de afgelopen jaren is verbeterd. Bedenk bijvoorbeeld dat badkamers, keukens en balkons in de jaren ’70 in een appartement nog publieke functies waren, en zelden of nooit aanwezig waren in een woning.

In Beijing ontstaat echter opnieuw, zoals tijdens vroegere dynastieën, een stad van eilanden, waar achter elke muur een doelgroep of functie wordt gehuisvest. De Chinese architect heeft zich razendsnel ontwikkeld. Voor een elite maakt hij nu projecten die pogen te ontsnappen aan de overheidsstandaard sinds Mao: het appartementengebouw. De overheid verzet intussen langzaam haar bakens. De verkoop van grond wordt doorzichtiger, maar het is de vraag of binnenkort ook individuen kunnen participeren op deze markt en samen met de overheid China’s toekomst kunnen vormgeven.