Feature —

Effenaar Eindhoven

Ekim Tan en Walter van Hulst

Een uitgewoonde hal in een voormalige textielfabriek, doortrokken van een rokerige dranklucht, veel meer was de Effenaar in Eindhoven niet. Illustere sterren als Joe Jackson, de Sex Pistols en Pearl Jam stonden er op het podium – vaak aan het prille begin van hun carrière.

Voor de gearriveerde popsterren, maar ook voor de jongere generatie artiesten en het publiek voldoen oude hallen niet meer. Daarnaast – en niet minder belangrijk – stelt de wet- en regelgeving steeds hogere eisen en neemt de (inter)nationale concurrentie tussen de podia toe. Dus werd Het Paard (van Troje) in Den Haag onderhanden genomen door OMA, ontwierp Erick van Egeraat voor Breda het centrum MEZZ, spendeerde Tilburg de nodige miljoenen aan  een nieuw 013-gebouw naar ontwerp van Benthem & Crouwel, werd onlangs het door Diederen Dirrix vernieuwde Patronaat in Haalem heropend en onderging het Amsterdamse Paradiso een facelift.

Natuurlijk moest ook de Effenaar in Eindhoven mee in de vaart der volkeren. Al meer dan tien jaar geleden opende de lokale politiek de weg naar een nieuw gebouw. In 1997 werd MVRDV met veel fanfare binnengehaald als een jong, hip en veelbelovend bureau – Villa VPRO was net opgeleverd. “Het was ons eerste publieke gebouw. We gingen onbevangen het proces in, maar je kunt wel zeggen dat we er veel wijzer van zijn geworden,” stelde Jacob van Rijs tijdens een voordracht over the making of voor het Architectuur Centrum Eindhoven (ACE) op 10 oktober. Een understatement, want het werd een slepend en moeizaam proces waarbij allerlei partijen invloed hadden of probeerden te hebben op de uitkomst. “Nieuw voor ons, en zeer bepalend, was het feit dat opdrachtgever (gemeente) en gebruiker (het popcentrum) niet dezelfde waren,” aldus Rijs.

Zo dacht de gemeente aanvankelijk ook Pop-Ei, de organisatie voor beginnende bands, in de Effenaar te kunnen onderbrengen. Het popcentrum zag dat niet zitten en wilde vooral het ‘Effenaar-gevoel’ overeind houden. Tal van schetsen en studies met ondergrondse zalen en combinaties van verbouw en nieuwbouw passeerden de revue. Allemaal te duur. Vervolgens bleek dat tevens rekening gehouden diende te worden met het bestaande industrieel erfgoed en de toekomstige her-ontwikkeling van de rivier de Dommel als groene hoofdzone. Er kwam een nieuwe wethouder die wel iets zag in jongerenhuisvesting boven op het gebouw. Rijs toonde de schets die dat opleverde: een soort ‘nieuwe fabriek’ inclusief toren met studentenkamers en een basketbalveld op het dak. Nog meer programma werd toegevoegd, wat leidde tot een soort E-vorm met een stapeling van functies – niet toevallig kwam in diezelfde periode het Nederlandse paviljoen voor de Expo 2000 in Hannover gereed.

In datzelfde jaar 2000 werden knopen doorgehakt. Het zou toch stand alone nieuwbouw worden, puur en alleen voor de Effenaar. Met een nieuw budget, maar tevens met bijgestelde, strengere eisen voor de geluidsisolatie. Nog enkele jaren met veel politiek en budgettair gekrakeel volgden: op het pluche gekozen Leefbaar Eindhoven wenste de ‘PvdA-droom’ niet te realiseren en een wethouder die – toen de grond al bouwrijp was – met het onzalige voorstel kwam om de Effenaar te verplaatsen naar het Philips-terrein Strijp S, dat de komende jaren ontwikkeld gaat worden. Acht jaar na dato – “een periode die de helft van het bestaan van ons bureau beslaat” – kon MVRDV het gebouw dan toch opleveren en hebben de eerste bands de poptempel begin oktober ingewijd.

Het resultaat van dit lange proces is een gebouw dat zich geen zorgen lijkt te maken over het meedragen van een bedoeling of het overbrengen van een boodschap, maar geheel op zichzelf is gericht. Pure architectonische kwaliteiten, degelijke constructie en detaillering, en tamelijk neutrale verbindingen met de context vormen de basis van het ontwerp.

De Effenaar is zo ver mogelijk van de rivier de Dommel geplaatst, om de ecologische continuïteit niet te verstoren en is daarmee richting de stad geschoven. Dat roept de vraag op, of het gebouw wel in de bestaande stedelijke omgeving integreert, als het dat al wil. Al met al oogt het als een nogal op zichzelf gerichte, abstracte en ruige ‘container’. De om pragmatische redenen uitstekende trappen – alleen van binnenuit toegankelijk – zorgen voor een opvallende en samenhangende architectonische vormentaal. Een trucje dat Van Rijs overigens vaker toepast. Op de voor- en achtergevel is de doorsnede zichtbaar. Zo is het ontwerp ook ontstaan: de grote zaal is als het ware ‘ingepakt’ met ruimtes – een tweede, kleinere zaal en het eetcafé op de begane grond, kleedkamers en ruimtes voor de techniek en dergelijke aan de zijkanten, kantoren er bovenop. Het heeft geresulteerd in een programmatisch en financieel erg efficiënt en effectief gebouw. Ook de constructie draagt daar aan bij: de vloeren en muren van de bovenste verdieping vormen een soort dragend super-I-profiel van beton.

In contrast met de vrij abstracte buitenkant is het gebouw van binnen rijk aan materialen, met nadrukkelijke kleurstelling voor verschillende ruimtes – ‘s avonds van buiten duidelijk zichtbaar – en zorgvuldige detaillering zoals de ‘doorzichtige’ barkasten gevuld met flesjes – bier op fles drinken is nu eenmaal een typische eigenschap van het Effenaarpubliek. Plaatselijke vormgevers en (graffiti)kunstenaars hebben hier het nodige aan toegevoegd, zoals de entree- en informatiebalie met honingraatstructuur, een kleurrijke garderobebalie en een ‘designhekwerk’ met bloemfiguren in het eetcafé. De artiestenfoyer is ruig en ‘hufterproof’ ingericht, de eerste krabbels staan al op het meubilair. De grote zaal – daar was het toch uiteindelijk om te doen – is vrij neutraal gebleven in de kleuren grijs en zwart, om toch nog een beetje van het oude ‘Effenaar-gevoel’ te behouden. Het publiek en de stad zijn dolblij met het nieuwe gebouw, al was het maar omdat ze er vanwege al het geharrewar zo lang op hebben moeten wachten.