Feature —

Kempe en Thill rekenen af

Piet Vollaard

Aanstaande vrijdag wordt de Rotterdam-Maaskantprijs voor Jonge Architecten 2005 uitgereikt aan Oliver Thill, een van de twee naamgevers van het Rotterdamse ‘expat’ bureau Atelier Kempe Thill. In een interview rekenen zij af met de mythe van het gunstige klimaat voor startende architecten in Nederland.

Met een laconiek “André is in 1968 geboren, ik in 1971. Vandaar” verwoordt prijswinnaar Oliver Thill het algemene gevoel dat deze Maaskantprijs alleen om statutaire redenen aan hem persoonlijk wordt uitgereikt (winnaars moeten 35 jaar of jonger zijn) en niet aan het bureau dat hij samen met André Kempe in 2000 begon.

Kempe en  Thill vormen vanaf hun studietijd aan de TU in Dresden (van 1990-1996) een onlosmakelijk ontwerperskoppel. Samen ondernamen ze tijdens hun studie werkreizen van een half jaar naar Parijs en Tokio, samen studeerden ze af op een stadsplan voor Dresden en samen besloten ze na hun studie Oost-Duitsland te verlaten en naar Rotterdam te gaan.

Atelier Kempe Thill is sinds enige tijd gevestigd in een loods van de Van Nellefabriek, een rommelige, maar spartaans ingerichte pijpenla met twee enorme stalen archiefkasten langs de wanden en een langgerekte werktafel in het midden. Ondanks het matige nazomerweer is het warm in de ongeïsoleerde loods. “Wij zijn fans van het gebouw, en kunnen dus wel wat ongemak verdragen”, merken zij lachend op.

Het antwoord op de eerste vraag is tekenend voor de strategische manier waarop Kempe en Thill denken en voor de haast verbeten hardnekkigheid waarmee zij hun vak serieus nemen.:

Waarom zijn jullie naar Rotterdam gegaan?

“Na onze studie analyseerden wij de situatie in Oost-Duitsland. Die leek voor startende architecten vlak na de Wende nog ideaal, maar wij zagen aankomen dat de ontwikkeling van Oost-Duitsland na de optimistische start een langdurig proces zou worden en dat er dus voor ons weinig te doen zou zijn. We stelden een lijstje op van mogelijke plaatsen waar de situatie beter was en waar we affiniteit mee hadden.

Als architect ben je min of meer gedwongen je te vestigen in een grote stad en een dichtbevolkte regio, je hebt immers bouwopdrachten nodig en die zijn op het platteland schaars. Bovendien is het gunstig als er ter plaatse een behoorlijk ontwikkeld architectuurklimaat heerst, als voeding voor de eigen ontwikkeling, maar ook omdat  je er van uit mag gaan dat er dan een grotere kans bestaat op opdrachtgevers die meer willen dan alleen bouwen en ook geïnteresseerd zijn in innovatieve architectuur.

We zochten naar plaatsen waar dingen gebeurden. Uiteindelijk moesten we kiezen tussen Berlijn, Zwitserland (Bazel of Zürich) of Rotterdam. Rotterdam besloten we als eerste optie uit te proberen omdat we daar wat mensen kenden, we hadden bijvoorbeeld Kees Christiaanse en Willem Jan Neutelings al tijdesn internationale studiebijeenkomsten ontmoet. Bovendien wisten we dat er in Rotterdam een vrij grote groep succesvolle ‘expats’ gevestigd was. Christian Rapp had, toen wij in 1998 naar Rotterdam verhuisden, bijvoorbeeld net de Maaskantprijs gewonnen. Natuurlijk waren we op de hoogte van de architectuurreputatie van Rotterdam, maar ook van de reputatie als werkstad. Het is geen toeval dan in ons lijstje steden met een katholieke traditie ontbraken, de werkhouding en het calvinisme van Zwitserland en Nederland past kennelijk meer bij onze mentaliteit.”

Jullie kwamen dus zonder werk naar Rotterdam. Hoe kon je een bureau starten?

”Toen we hier kwamen zijn we alle twee eerst op het bureau van Frits van Dongen gaan werken. We dachten daar onze eigen manier van samenwerken, die al tijdens onze studie een bureau-achtige aard had gekregen, voort te kunnen zetten. Dat viel tegen, we waren kennelijk een te sterke eenheid om als werknemer aanvaardbaar te zijn. Daarna zijn we ieder voor zich enige tijd bij respectievelijk DKV en Karelse van der Meer gaan werken. Om een eigen bureau te kunnen starten moesten we een opdracht hebben. We besloten mee te doen aan Europan, een internationale ontwerpprijsvraag voor jonge architecten met daaraan gekoppeld een ontwerpopdracht, en om die te winnen.

Dat lukte, we kregen in 1999 een eerste prijs voor ons Europanontwerp voor woningbouw op de Kop van Zuid en konden met de opdracht in de portefeuille een eigen bureau starten. Dat ontwerp is overigens nog niet gebouwd, we werken inmiddels aan een vervangende opdracht. Ons eerste gerealiseerde gebouw was een ander winnend prijsvraagontwerp: het Light Building, een verplaatsbaar tentoonstellingspaviljoen dat is opgebouwd uit lichtdoorlatende bierkratjes en dat zijn première beleefde op de Parade van 2001 in Rotterdam. Dit jaar is ons eerste woningbouwproject in Roosendaal opgeleverd, goedkope koopwoningen met een volledig glazen gevel en een vide. Verder is een grootschalig renovatieproject van jaren zestig flats in Uithoorn in uitvoering.”

Het klinkt alsof het allemaal van een leien dakje is gegaan. Hebben jullie kunnen profiteren van het gunstige klimaat voor jonge architecten in Nederland?

“Dat was allerminst het geval. Wij hebben als bureau de afgelopen jaren een moeilijke tijd meegemaakt en hard moeten werken opdrachten te verwerven die voor een zekere stabiliteit zorgen. Het gunstige klimaat voor jonge architecten in Nederland, waar iedereen zo de mond van vol heeft, bestond vooral in de jaren 80 en 90. Opdrachten aan jonge architecten waren veelal woningbouwopdrachten van corporaties. Ook wij oriënteerden ons aanvankelijk vooral op woningbouwprojecten. Veel woningbouwprojecten waar we in Nederland aan werkten zijn echter vertraagd of uiteindelijk niet uitgevoerd. De situatie in de Nederlandse woningbouw, ooit dé manier om je als startend bureau te manifesteren, is de laatste jaren verslechterd. Nu de woningbouwverenigingen marktgeoriënteerd zijn geworden, zijn ze opeens minder bereid risico’s te nemen met een jongere architect of een vernieuwend woningbouwontwerp. De markt voor woningbouw is de afgelopen jarende afgelopen jaren sowieso vrijwel stil komen te liggen.

We besloten daarom om ons meer te gaan richten op opdrachten voor openbare gebouwen. We ondervinden als relatief klein bureau daarbij veel last van de regelgeving rond opdrachtverwerving, met name bij Europese aanbestedingen. Nederland is daarin Roomser dan de paus. In het buitenland worden wij als bureau veel serieuzer genomen dan hier, daar mogen we wel meedoen aan besloten opdrachten voor grotere projecten, hier niet. Daar worden de regels kennelijk anders geïnterpreteerd. Hier kom je als relatief klein bureau bij wat grotere opdrachten, door het conservatief hanteren van omzet- en ervaringsvoorwaarden, nauwelijks aan de bak. Dat is fnuikend voor een levendig architectuurklimaat. Veel vernieuwing komt immers juist van de kleinere, startende bureaus zoals het onze.

In Rotterdam is de situatie niet veel beter, in tegendeel. We hebben veel kritiek op het huidige Rotterdamse klimaat. Er zijn op dit moment nauwelijks positieve impulsen, niet voor jonge architecten, en ook niet voor oudere trouwens. Wij merken in Rotterdam niets meer van de ambitie om hoogwaardige architectuur in de stad te brengen. Ga maar eens naar het City Informatie Centrum, de plek waar de nieuwe bouwprojecten worden getoond; het is één grote ramp. En dat voor een stad die zich als architectuurstad profileert.“

Jullie doen erg veel mee aan ontwerpprijsvragen. Is dat een bewuste keuze?

“Wij zoeken opdrachten waarvan de opdracht en de opdrachtgever een zeker cultureel bewustzijn uitstralen en de wil hebben om architectuur serieus te nemen. Zonder lokaal netwerk of bekendheid ben je als startend bureau dan aangewezen op prijsvragen of  het academisch circuit. In het lokale academische circuit zijn wij als buitenlanders nauwelijks ingevoerd, we geven wel steeds meer lezingen, maar dat is het dan. Wij doen daarom erg veel mee aan ontwerpwedstrijden, tegenwoordig steeds vaker voor openbare gebouwen en ook steeds vaker in het buitenland. Het is voor ons eigenlijk de enige manier om aan werk te komen. Door deze manier van opdrachtverwerving hebben we als startend bureau de fase van dakkapellen en verbouwingen voor familieleden kunnen overslaan.

Het voordeel van opdrachtverwerving via een prijsvraag is dat de architectonische ambitie van de opdrachtgever vast staat en dat je als architect tijdens de onvermijdelijke problemen gedurende het bouwtraject sterker in de onderhandelingen staat. Er is immers bewust voor de architect en het plan gekozen. Maar deelname aan prijsvragen is riskant, zeker als het open prijsvragen zijn. Je steekt daar als bureau enorm veel tijd in, tijd die niet of nauwelijks wordt vergoed als je niet wint.

Gelukkig winnen wij zo af en toe. We zijn de laatste jaren behoorlijk succesvol bij buitenlandse prijsvragen geweest. Het Hedge Building, het Nederlandse paviljoen voor een tuintentoonstelling in Rostock in 2003 was een winnend prijsvraag ontwerp. Verder zijn de bouw van twee winnende prijsvraagontwerpen in voorbereiding: de verbouwing van de kilometerslange jeugdherberg in Prora (Oost Duistland 2004) en nieuwbouw van een bescheiden concertzaal in Raiding (Oostenrijk 2005).

We hebben het gevoel dat we de fase van ‘startend, jong bureau’ langzamerhand ontgroeid zijn. Het winnen van de Maaskantprijs voor jonge architecten is wat dat betreft een mooie afsluiting van die periode.”