Recensie —

Maak een Stad

Patrick van der Klooster, Robert Winkel

Op 16 juni 2005 promoveerde Wouter Vanstiphout aan de Rijksuniversiteit van Groningen op Maak een stad, Rotterdam en de architectuur van J.H. van den Broek. Wouter Vanstiphout heeft een spannend boek geschreven – in plaats van een traditioneel biografisch werk. In Maak een stad kwalificeert hij Rotterdam als een zich telkens ontwikkelende machine, waarin de symbiose van ingenieurskunst, ondernemerschap en vakmanschap tot een gezamenlijk product heeft geleid.

Vanstiphout gaat in zijn boek ver terug in de tijd om het werk van J.H. van den Broek (1898-1978) te begrijpen en te duiden. Het waterproject van Rose, het Coolsingelziekenhuis, de exploderende stad rond 1870 en de woningwet 1901 komen aan de orde. Daarnaast maakt hij in het boek regelmatig uitstapjes naar andere culturele disciplines. Naar het literaire laboratorium ‘de puinschrijvers’ van Koolhaas senior (de vader van!) bijvoorbeeld, dat in en kort na de oorlog ‘een manier zocht om de harde werkelijkheid van de verdwenen stadsvorm om te zetten in een positief cultureel project’. De eerste 150 pagina’s is Van den Broek zelfs de grote afwezige in het verhaal. Vanstiphout verklaart deze lange aanloop zelf uit ‘een zeker wild om zich heen slaande interesse voor de stad Rotterdam’. Hij doet zichzelf daarmee tekort, omdat hij begrijpt dat alles en iedereen, dus ook Van den Broek, een product van zijn of haar cultuur is.

Vanstiphout bevestigt maar weer eens dat Rotterdam vooral het resultaat is van de interactie tussen haven en stad, waarbij het functioneren van de eerste een allesbepalende rol speelde. Rotterdam is door plannenmakers altijd als dienstbaar aan de economische ontwikkeling gezien. Het beheersen van verkeer- en vervoerstromen, en niet de vorm, stond centraal. Mooi en lelijk waren geen vanzelfsprekende begrippen in het denken over de stad; het draaide bijna obsessief om vernieuwing en versnelling. Dat wisten kenners natuurlijk allang, maar het knappe aan Maak een stad is dat Vanstiphout dit ontwikkelingsproces direct koppelt aan de lokale cultuur. In academische kringen heeft de breedte van zijn onderzoek naar verluidt tot enige irritatie geleid, maar zijn onderzoek (of beter: zoektocht) resulteert in een beeld van Rotterdam dat nog onbekend en vooral onbemind is. Het hedendaagse amorfe karakter van Rotterdam is na lezing van Maak een stad veel beter te begrijpen en te waarderen. Rotterdam heeft nooit een stad willen of kunnen zijn, maar is vooral een idee of mentaliteit.

En hoe functioneer je nu als architect binnen die typisch Rotterdamse pragmatische context van bewegen, faciliteren, koppelen, win-winsituatie, en werk met werk maken? De hoofdpersoon van Maak een Stad, Van den Broek, is er volgens Vanstiphout zeer goed in geslaagd zijn maatschappelijke idealen met de lokale mentaliteit te verenigen en vervolgens nog even honderden woningen te bouwen. Vanstiphout kenschetst Van den Broek als een procesarchitect die zijn contacten (met name die van zijn vader, die aannemer was) ten volle benutte. In de tijd van Van den Broek werd voornamelijk gebouwd door aannemers- en goede contacten daarmee waren onontbeerlijk. Maar dat is natuurlijk niet voldoende. Elke architect die in directe relatie staat met zijn opdrachtgever en die regelmatig op de bouwplaats verkeert, weet dat het bereiken van het optimale resultaat voorwaarden stelt aan kennis van procedures, omgangsvormen en onderhandelingsvaardigheden. Van den Broek wist die te verenigen met vakbekwaamheid.

Ook op strategisch niveau werkte Van den Broek vanuit een procesmatige invalshoek. Het meest beeldende hiervan het door Van Stiphout zogenoemde ‘vlaflipmodel’ dat is ontwikkeld door de commissie Opbouw Rotterdam (OpRO) en Van den Broek. Het model is geen schema van functiescheidingen, maar een toekomstbeeld van‘ een constant vloeiende, verdikkende en verdunnende, mengende en schiftende programmatische substantie’. Van den Broek schrijft ook in één van zijn publicaties van tijdens de oorlog over de stad dat het culturele begrip van stedelijkheid een vage impressie van het onvoorspelbare is. Het interessante is dat Van den Broek hierin een opponent van Van Eesteren en de Van Lohuizen was. Volgens Vanstiphout verbrak Van den Broek daarmee het metafysische verband tussen het idee van de stad en de vorm van de stad. Het idee kon alleen omschreven worden vanuit het leven van haar bewoners, de technische en economische condities en de culturele verwachtingspatronen.

Vanstiphout toont op overtuigende wijze aan dat Van den Broek tot in de jaren veertig van de vorige eeuw conform de methodiek van de Beaux Arts heeft ontworpen. Daarmee verbindt hij niet alleen de functionalistische geschiedenis van de stad en het werk van de individuele architect, hij slaat eveneens de brug tussen de systeemanalytische methode van stedenbouw naar de architectuuropvattingen van Van den Broek. De typologische categorisering van de architectuurwerken van Van den Broek weet Van Stiphout te karakteriseren als Scharnieren, Sluizen en Motorblokken. Het zijn passende metaforen voor de ontwerpen van Van den Broek die uit was op het verhelderen van de logistiek van het gebouw dat verschillende functies verbond en verkeersstromen begeleidde. Het Van Ommerengebouw in Antwerpen vormt in het historische stedelijke weefsel volgens Van Stiphout een scharnier. Het recent gerestaureerde gebouw van het voormalige Thomsen’s Havenbedrijf aan de Keilestraat in Rotterdam is voor hem een sluis – door een slimme organisatie maakten passagiers en arbeiders van dezelfde ruimten gebruik, zonder elkaar ooit tegen te komen. De Gemeentelijke Vervoer- en Motordienst (GVMD) aan het Kleinpolderplein staat model voor het motorbloktype. Zonder in contact te treden met de context, gedraagt het zich als een motor die in een auto maar ook los kan functioneren. Naast deze typologieën ziet Van Stiphout de architectuur van Van den Broek als een vorm van bedrijfsmanagement. Volgens Van den Broek moet moderne woningbouw onderworpen worden aan een constant proces van modernisering, zoals bij gebruiksvoorwerpen.

Zonder opdrachtgevers geen architect – Vanstiphout heeft dat goed door. Hij doorziet de betekenisvolle rol van opdrachtgever en spindoctor Van der Leeuw voor de carrière van Van den Broek. Kees Van der Leeuw vervulde als ondernemer in koffie en thee (Van Nelle) een centrale rol bij de wederopbouw van Rotterdam. Met zijn alternatieve OpRo overrulede hij ambtenaar Witteveen ten faveure van mensen als Van Traa en Van den Broek die als secretaris van dit gezelschap fungeerde. Na de oorlog werd Van der Leeuw decaan aan de TH in Delft. Later volgt Van den Broek hem naar Delft en wordt ook hij een zeer gewaardeerde hoogleraar.

Vanstiphout heeft met Maak een stad een bijzonder boek geschreven. Niet over architectuur, maar over de stad Rotterdam en een architect die daaruit voortkwam. Zijn boek waardeert Rotterdam als een machine of Stad ohne Eigenschaften. Nu de stad juist weer voor een nieuwe wederopbouwopgave staat, is het goed deze traditie te kennen en te inhaleren. De belangrijkste opgave is het moderne, zakelijke en fluïde karakter van de stad in te zetten voor een toekomstige kwaliteitsslag. Maak een stad kan daarvoor als een onderlegger dienen. Tegelijkertijd heeft Van Stiphout eigenlijk ook nog een handboek geschreven over hoe je architect moet worden. Voor tegenwoordige ontwerpers is het ongetwijfeld een openbaring om te lezen dat idealen en zakelijke ambitie goed samen kunnen. Lees dit Boek!