Recensie —

Reflect # 0p, Simon Franke

Arthur Wortmann

Bij zijn afscheid als directeur van NAi Uitgevers kreeg Simon Franke een aflevering van zijn Reflect serie in een oplage van één stuk cadeau. Dat is niet eerlijk, dat willen we namelijk allemaal wel lezen. Gelukkig wist Arthur Wortmann beslag te leggen op het unieke exemplaar om zo een tipje van de sluier op te kunnen lichten.

Op 9 september nam Simon Franke afscheid als directeur van NAi Uitgevers, waar hij, sinds de oprichting in 1992, verantwoordelijk was voor het beleid. Daarmee kan worden gesteld dat hij een flinke bijdrage heeft geleverd aan het gouden decennium van de Nederlandse architectuur, waarin mede door politieke ambities en institutionele ondersteuning een gunstig architectuurklimaat bestond. Onder Frankes leiding zagen bijna 300 architectuurboeken het levenslicht.

Zo’n afscheid laat je niet ongemerkt voorbijgaan en de uitgeverij verzon dan ook een passend cadeau. Een van de reeksen die Franke initieerde is Reflect, een serie boeken waarin de nadruk ligt op de maatschappelijke betrokkenheid van de architectuur. Met zijn nieuwe eenmansbedrijfje Trancity is Franke van plan verder te werken aan deze reeks. Zijn voormalige medewerkers deden wat ze goed kunnen en organiseerden alvast een nieuw deel bijelkaar. Redacteurs, auteurs, fotografen, vormgevers en anderen met wie Franke de afgelopen 13 jaar samenwerkte werden gevraagd copy voor het boek te leveren, hetgeen tot een bundel met 67 bijdragen leidde. Het boek verscheen in een oplage van één exemplaar.

Dat is natuurlijk niet eerlijk. We willen dat boek allemaal wel lezen. Er moeten dingen in staan die het waard zijn om voor de vergetelheid te behoeden, die een moment van helderheid verschaffen omtrent een van de peilers van de Nederlandse architectuurdiscussie van de laatste jaren. Gelukkig mocht ondergetekende Frankes exemplaar lenen. En hij ontdekte al gauw de bijdrage met eeuwigheidswaarde.

Uiteraard zit een deel van de lol van een liber amicorum in de persoonlijk getinte herinneringen en toespelingen. Ook deze bundel staat er vol mee. Hoogtepunt in dit genre is de hilarische tekst van de mannen achter drukkerij Die Keure uit Brugge, die met droge humor vertellen hoe hun allereerste proeve van bekwaamheid voor NAi Uitgevers falikant dreigde te mislukken door het plotselinge opduiken van ‘spookbeelden’ tijdens het drukproces – een fenomeen dat in de vakliteratuur zorgvuldig verborgen bleek te worden gehouden, met uitzondering van een klein vergeeld Duits boekje dat in het bezit was van de chef-drukkerij en dat een lemma ‘Geistesverscheinungen’ bleek te bevatten – inclusief remedie hoe deze geesten te verdrijven: alle pagina’s terstond vernissen! Met lood in de schoenen togen ze naar de uitgeverij om tekst en uitleg bij hun ongewone actie te geven. Franke lachte de heren niet in hun gezicht uit, luisterde begripvol, en bedong zakelijk een korting. Het was het begin van een langdurige samenwerking.

Andere bijdragen hebben een meer zakelijke toon. Toch kunnen daarin soms onthullingen schuilgaan. Zo blijkt uit de bijdrage van Hans Oldewarris en Peter de Winter van Uitgeverij 010 dat er tussen beide Nederlandse architectuuruitgeverijen in de loop der jaren contact is geweest over drie onderwerpen: de beeldrechten die aan rechtenhebbende instanties moesten worden betaald, de onwil van subsidiërende instellingen om het werk van uitgevers naar waarde te schatten en… de mogelijkheden van een fusie! Een en ander gaat gepaard met bewijsmateriaal: een foto van Franke in het hol van de leeuw, aan tafel bij 010 – de plek waar iedereen die ooit met de twee Rotterdamse uitgevers overlegt wordt vereeuwigd.

Weer andere bijdragen beantwoorden aan de vraag van de initiatiefnemers om ideeën te opperen voor het vervolg van de Reflectreeks. Onder een vierde categorie vallen auteurs die zonder blikken of blozen oude teksten in de nieuwe feestcontext hebben geparachuteerd – wat dat betreft is niets menselijks feestbundelbijdrageleveranciers vreemd.

Maar de meest lezenswaardige bijdragen, zo blijkt, zijn die waarin gereflecteerd wordt op de prestaties van het feestvarken en waarin diens werk in een historische context wordt geplaatst. Zo ontstaan enkele prikkelende bijdragen, die niet als vooropgezet doel hebben te behagen, maar te duiden en te beschouwen – en daarmee tot denken aanzetten. Het scherpste in dat genre is Bernard Colenbrander. Hij becommentarieert onder de kop ‘Fluctuerende conjunctuur’ het merkwaardige feit dat het Nederlands Architectuurinstituut eerst een eigen fonds opzet om de kennis uit haar ‘schatkamer’ zo gedegen mogelijk te kunnen publiceren, en dit vervolgens, binnen zeer korte tijd, weer afscheidt als een zelfstandige stichting. Wat wellicht leek op een daad van professionalisering wordt door Colenbrander geïnterpreteerd als het frustreren van de intellectuele koers van het NAi. Voor het toenmalige management van het NAi zou de ‘vermeende hoofdtaak’ van het instituut eruit hebben bestaan ‘om jaarlijks hoe dan ook 100.000 mensen naar het gebouw te lokken’. Voor de uitgeverij was deze uitlevering van intellect aan kijkcijfers niet zonder gevolgen: zij moest haar blikveld verbreden, begon ook boeken te produceren voor andere instellingen en verloor daarmee ‘iedere specifieke betekenis en coherentie’.

Colenbrander beschouwt het vertrek van Franke en de oprichting van zijn nieuwe bedrijfje als een terugkeer naar de core business: ‘Hij bezorgt zichzelf andermaal de vaste grond onder de voeten, die de instituties zichzelf opzettelijk onthouden, ten goede of ten kwade’. Dat is een visie waar niet alleen Franke, maar ook de uitgeverij, het NAi en toekomstige geschiedschrijvers van de Nederlandse architectuur even op kunnen kauwen.