Feature —

De letterlijkheid van architectuur

Lara Schrijver

In de architectuur is een andere manier van kijken nodig, aldus Mark Linder. Binnen het kader van de lezingenreeks Rethinking representation op het Berlage Instituut (Rotterdam) lichtte hij toe, waarom en hoe.

Een nieuwe manier van kijken is volgens Mark Linder (docent theorie en ontwerp op de Syracuse Universiteit VS), te vinden in de ‘letterlijkheid’ of literalism. De letterlijkheid wordt in de minimalistische en conceptuele kunst gebruikt om zich afzetten tegen de transcendentale referenties in de moderne kunst. Een modernistisch kunstwerk dient naar een hogere waarde of een universele waarheid verwijzen. Vele kunstenaars in de jaren 60 en 70 distantieerde zich hiervan en gingen zich juist verdiepen in het materiaal, of in de oppervlakte van het schilderij.

Volgens Linder is het letterlijke een vanzelfsprekend begrip om in de architectuur te onderzoeken: ‘Architecture can’t be too literal: the more literal it is, the more like architecture it is’. Het oppakken van deze letterlijkheid als thema, is een respons op de invloeden van een architectuurdebat dat, mede onder de invloed van het deconstructivisme, steeds verder vluchtte in een bijna puur theoretische perceptie van architectuur. Het is de oprechte vraag naar de kwaliteiten van de architectuur zelf, in plaats van te zoeken naar een rechtvaardiging vanuit andere disciplines.

Linder illustreerde de kracht van de letterlijkheid met een vergelijking tussen twee architecten: Michael Graves en John Hejduk. Volgens Linder probeert Graves de wand een schilderachtige kwaliteit mee te geven en die te transformeren tot een beeld. Hiermee verliest de wand zijn architectonische waarde en wordt weinig meer dan een symbolische referentie. Hejduk daarentegen gebruikt de representatie om de letterlijkheid van de wand te benadrukken. Hoewel hij de wand beschouwt en gebruikt als een soort ‘tekening’, is de letterlijke manifestatie van de wand in zijn huizen ook een ontsnapping aan een al te beeldende architectuur – deze ontwikkeling vindt zijn conclusie in de Wall Houses.

Op zijn sterkst maakte Linder een paar vertaalslagen vanuit zijn visie van literal – voornamelijk uit de kunst en literatuur – naar mogelijke architectonische principes. Waar het modernisme zou gaan over transparantie, helderheid, directheid, het medium, de vlakte, gaat literalism over blanco, specificiteit, blok, massa, de oppervlakte. De concrete voorbeelden waren wat summier. De bibliotheek in Eberswalde van Herzog en De Meuron werd getoond als voorbeeld van de kracht van een oppervlakte: doordat er beelden zijn gedrukt op de gevelmaterialen valt het materiaal zelf weg. Het onderscheid tussen glas en steen raakt ondergeschikt aan het beeld. Hun overig werk zou mogelijk ook literal zijn, maar met zekerheid kon Linder dat niet zeggen. Compleet mis ging het met een voorbeeld over een glazen wand in een woning die in de vloer weg kon zakken. Hoewel het ontwerp van James Carpenter niet slecht was, bleef Linder er steeds meer betekenis aan geven, totdat het idee van literal volledig weggeslagen was.

Hoewel Linders pleidooi voor de letterlijkheid opgevat kan worden als een anti-theoretisch standpunt, is dit in zijn geval allerminst waar. Wat hij wel probeert te bereiken is dat er wat meer gekeken wordt naar wat het ding is – ‘It is what it is’ – dat het echt zien van een gebouw ook even belangrijk wordt als het denken ervan.

In het huidige Amerikaanse debat waarbinnen Mark Linder zich begeeft, draait het om een herontdekking van de vakspecifieke kwaliteiten van de architectuur. Je zou bijna vermoeden dat er in een grote omtrekkende beweging langzaam vadermoord gepleegd wordt op Peter Eisenman. Zijn invloed is de laatste dertig jaar inderdaad groot geweest en de afstand die hij heeft gecreëerd tot het architectonisch object ook. Daarnaast speelt een pragmatisch aspect een rol. Er wordt relatief weinig vernieuwend gebouwd in de VS, zeker in verhouding tot Nederland, en daarmee wordt de theorievorming voor sommige architecten een vlucht uit de leegte van hun praktijk.

Opvallend is dan ook de opbouw van de serie Berlage lezingen dit jaar: door te beginnen met Eisenman wordt eerst de vader aan het woord gelaten, daarna kan de vadermoord pas worden voltrokken. Of beter: een serie pogingen daartoe wordt de ruimte gegeven. Door Eisenman deze prominente positie toe te kennen, wordt de positie van het Berlage duidelijk; deze neigt naar gene zijde van de Atlantische Oceaan. Het valt nog te bezien welke spreker de retoriek van Eisenman een doodslag kan toedienen, maar deze toehoorder vermoedt dat die spreker eerder van het Europese vasteland zal komen dan uit de Amerikaanse kringen: tot nog toe lijken die allemaal iets te besmet door hun opvoeding om er werkelijk aan te ontsnappen.