Feature —

De (on)mogelijkheid van cultureel engagement

Bert Gellynck

De hedendaagse stad is een aaneenrijging van afzonderlijke enclaves met koopcentra en amusementsparken. Het publieke karakter van de openbare ruimte verschraalt met rasse schreden. De stad als plek van emancipatie en democratisering bestaat niet meer… Stedelijk doemscenario? Nostalgisch gejammer vanaf de zijlijn? Of valt er uit dit standpunt een nieuw revolutionair project voor de postideologische stad te destilleren?

In het kader van Super! 1ste Triënnale voor Beeldende Kunst, Mode en Design organiseerden BAVO, de Jan van Eyck Academie en de Academie Beeldende Kunsten Maastricht een driedelige debattenreeks over de stad als platform voor cultureel engagement. Het architectuurtheoretisch collectief BAVO stelt vast dat de culturele ondernemer in dit tijdvak van ‘het einde van de geschiedenis’ (Fukuyama) gevat zit in een listige chantage. Kunstenaars, theoretici en critici worden geacht zich kritisch uit te laten over maatschappelijke problemen. Worden ze echter te enthousiast in het bedenken van alternatieven die de heersende orde aantasten, dan worden ze snel teruggefloten en verzocht om mee te werken aan de verbetering van het bestaande maatschappijsysteem, de schijnbaar onlosmakelijke tandem van democratie en kapitalisme. De achterliggende vraag van deze debatten is of het mogelijk is deze chantage te vermijden. Is het werkelijk noodzakelijk dat elk kritisch engagement onmiddellijk ingeschreven wordt in het perfectioneren van de bestaande orde?

Onder de titel “Cultureel ondernemerschap: architectuur en engagement” nodigde BAVO voor een tweede debat op 14 oktober een groep architecten en critici uit die een eigenzinnige, geëngageerde positie innemen ten aanzien van de openbare ruimte in de postideologische stad. Architect en publicist Wim Cuyvers benadrukte dat publieke ruimte een plek moet zijn van confrontatie, het is de ruimte van de nood, van het Zijn (Heidegger), van het niet-hebben. Voor Cuyvers is het een uitgemaakte zaak dat het onmogelijk is om een publieke ruimte te maken binnen de heersende politieke cultuur die vervlakking en middelmatigheid proclameert. De publieke ruimte is immers de plaats waar het uitschot verblijft, en dat is nu precies de groep mensen die men volop weert uit de nieuwe stadsdelen. De enige uitweg uit deze impasse bestaat erin om “publiek te zijn”, om je lichaam te laten oplossen in de publieke ruimte.

Als reactie op de stellingen van Wim Cuyvers, repliceert architect Jasper Jägers (UCX Architects) dat de publieke ruimte nog wél gemaakt kan worden. Zijn RedlightPlatform – de veelbesproken, winnende inzending voor de ontwerpwedstrijd Koninginnen van de nacht in Rotterdam – moet daarvan getuige zijn. Net als elk ander programma (een combinatie van straat-, raam- en clubprostitutie) is het immers kwantificeerbaar, organiseerbaar, en kan de publieke ruimte zich perfect integreren binnen in een gebouw. Illegaliteit moeten we op een positieve en enthousiaste manier behandelen, stelt Jägers. Het ontwerp voor het RedlightPlatform is een extrapolatie van de vraagstelling en wil uitnodigen tot kritiek.

In tegenstelling tot Cuyvers en Jägers bekent architectuurtheoreticus Roemer van Toorn (Berlage Instituut) niet onmiddellijk kleur, maar bekijkt hij de discussie eerst van buitenaf. Hij verdeelt het peloton van geëngageerde culturele ondernemers in twee kampen: de critici – zij die in hun productie kritiek geven op de samenleving, en de post-critici – zij die in hun werk de samenleving een spiegel voorhouden zonder te veroordelen. Terwijl de eerste soort vooral de ambitie lijkt te hebben het reilen en zeilen van de samenleving tegen te werken, verklaart de tweede groep zich medeplichtig en omhelst het ten volle het onderwerp met een alternatief voorstel.

BAVO beperkte zich niet tot de neutrale rol van moderator. Matthias Pauwels startte met een scherpe veroordeling van het sociaal en politiek analfabetisme bij veel jonge ontwerpers. In tegenstelling tot Van Toorn gelooft hij niet dat de post-kritiek een zinvolle uitweg biedt: de geëngageerde ontwerper moet pedagogisch optreden en de samenleving bewust maken van zijn eigen gelaat. Om zijn stelling kracht bij te zetten, verwees hij naar een urban performance van de Oostenrijkse media-activist Cristoph Schlingensief die in 2000 een aantal containers voor de Weense opera plaatste en er een Big Brother organiseerde voor asielzoekers. Op die manier provoceerde hij het Oostenrijkse volk over thema’s als migratie en globalisering.

In de daaropvolgende discussie werden de verschillende posities getoetst aan de planningsactualiteit van de stad Maastricht. Want – zo provoceerde moderator Gideon Boie – is Maastricht niet zo’n typische stad die aan het eind van de geschiedenis staat, een stad die haar eigen tempo volgt, waar elk particulier verlangen erkend wordt, waar voor elk gebrek een redelijke en creatieve oplossing te verzinnen is: shoppers in het Entre Deux, kunstliefhebbers op Céramique, homo’s op de parkings langs de A76 en drugstoeristen op hun eigen Weedboulevard? De discussie werd geopend met een concrete vraag: “hoe zouden jullie omgaan met het ontwerp van de Weedboulevard”?

Roemer Van Toorn omzeilt de vraag door een voorschot te nemen op de opinie van z’n collega’s en ze in te delen volgens zijn eerder geponeerde tweeluik. In Wim Cuyvers meent hij een criticus te herkennen, terwijl Jasper Jägers een gezant is van de post-kritiek. Hierbij niet onder stoelen of banken stekend dat de laatste positie zijn voorkeur wegdraagt. De vraag of het UCX-project voor het RedlightPlatform werkelijk functioneert als adequate spiegel én alternatief wordt helaas niet meer gesteld. Jasper Jägers laat de kans liggen om zijn eigen standpunt ten aanzien van de prostitutie in de publieke ruimte te verduidelijken. Hij beperkte zich tot de officiële versie van de UCX-concepttekst bij het project.

Wim Cuyvers keerde terug naar de vraag van de Weedboulevard en stelde dat er hierbij geen sprake kan zijn van een werkelijke publieke ruimte. Als er door de heersende economische macht gesproken wordt over de publieke ruimte, dan wordt er steeds gedacht in termen van oplossingen. Het feit dat de weedgebruiker zijn eigen plek krijgt in de stad bewijst enkel dat deze gedoogd wordt door de heersende politieke klasse. Diegenen die echt als uitschot beschouwd worden, zoals heroïneverslaafden, zullen ook hier geweerd worden.

Matthias Pauwels viel hem bij in zijn pessimistische visie, echter met het cruciale verschil dat dit voor Pauwels geen reden is om hier tegenover een passieve houding in te nemen, zoals Cuyvers’ strategie van het ‘publiek zijn’. Integendeel, in verwijzing naar zijn aangehaalde case van Schlingensief, pleitte hij ervoor dat de architecten, als experts in ruimtelijke (on)rechtvaardigheid, het lot van het uitschot van de globale stad moeten zichtbaar maken via een activistische praktijk.