Feature —

God is a deejay: FAT in Berlage

Matthias Pauwels

FAT ontstond tijdens een dip in de Britse architectuurmarkt. Wie dacht dat de economische nood resulteerde in een machtsgreep van een groep angry young architects kwam bedrogen uit zo bleek tijdens een lezing van voorman Sean Griffith in het Berlage Institute.

De lezing begon veelbelovend toen Sean Griffith zijn fascinatie uitdrukte voor een architectuur van contrasten en contradicties. Hij refereerde hierbij aan de Mezquita in Córdoba: een moskee waar de Kerk en Karel de Vijfde na de herovering van Spanje midden in het complex een Renaissance kathedraal neerplantten. Dat deze architecturale move destijds flink wat opschudding veroorzaakte, daar kunnen we inkomen. Problematisch bleek Griffiths vertaling van contrasten en contradicties in FATs eigen projecten. Denk hier aan een Tate-modern in een suburb van Londen, kunst in de reclamepanelen van bushokjes, Gotische gevelelementen (ruïnestijl) gemonteerd op een modernistische kunstacademie, een salon oma & opa-stijl in een hippe discotheek enzovoorts. Contradicties te over dus, alleen werd één aspect niet meegenomen uit La Mezquita, de sociopolitieke context waaraan deze architecturale interventie haar kracht ontleent. Dit was het pijnpunt in alle projecten van Griffith, het opzoeken van contrasten is er verworden tot een esthetisch recept, een gimmick die elke politiek-strategische precisie mist. Waren contradicties voor iemand als Bernard Tschumi een methode om het programma te deconstrueren – en dus een politieke interventie – bij FAT is het hoogstens een deejaytrucje; heterogene stukjes worden gesampled en gemixt voor het onmiddellijke esthetische effect.

Een mooi voorbeeld hiervan is een renovatieproject in een probleembuurt in Manchester waar FAT gevraagd werd om vervangende nieuwbouw voor de huidige bewoners te ontwerpen. Griffith raakte gefascineerd door het contrast tussen de vette, hypercreatieve campy interieurs van de bewoners en de kale, troosteloze, uniforme buitenkant van de sociale woningbouw. Zijn interventie leek vooral betrekking te hebben op het ontwikkelen van een chaotisch gestructureerde gevel met fel gekleurde elementen, een soort Walt Disney meets working class-geschenkverpakking. Dat hiermee het contrasteffect tussen interieur en façade deskundig wordt tenietgedaan, is slechts de eerste van een hele reeks inconsistenties. Een andere is dat het creatieve vermogen van de bewoner wel erg op de proef wordt gesteld door een kakofonische gevel te ontwerpen waar het onmogelijk lijkt om er nog iets aan toe te voegen. Griffiths hoop dat de bewoners gadgets van de Praxis aan de gevel zouden hangen lijkt weinig oprecht als hij als klap op de vuurpijl ontboezemt hoe FAT vijf types balkonnetjes heeft ontworpen waar de bewoners uit konden kiezen. Kortom, als het project iets ter discussie stelt dan is het of de architect zijn smaak zover mag opdringen dat hij zelfs de transgressies van zijn eigen ontwerp ontwerpt. Niet alleen steel je hiermee het ‘populistische’ genot van de gebruiker, bovendien creëer je dezelfde verstikkende situatie als in het Disney-dorp Celebrations: wat eruitziet als een spontane, door ‘de mensen zelf’ gerunde gemeenschap is in feite een door een neurotische Meester-architect georchestreerde fake. Dit maakt de titel van zijn lezing this is not architecture vals, om niet te zeggen misplaatst; dit is hyperarchitectuur!

1 Hoogvliet, Rotterdam
2,3 St. Lucas, Boxtel
4 interieur voor KesselsKramer, Amsterdam

We mogen niet vergeten dat FAT ook aan het project Heerlijkheid Hoogvliet ontwerpt, het paradepaardje van het doodgeknuffelde Rotterdamse project WiMBY!. Ook hier stoten we weer op de al te evidente affirmatie van contradicties: een happy&fun leisure-park in de Spartaanse, modernistische wijk Hoogvliet. Van iemand die kickt op contradicties zou je echter verwachten dat hij inspeelt op de stille uittocht van socio-economisch ongewenste bewoners waar de make-over van Hoogvliet mee gepaard gaat , of het aanwakkeren van politieke passies bij de rechts-populistische bewoners of de introductie van urban villa’s door projectontwikkelaars. Helaas, niets van dit alles. In Griffiths presentatie van de Heerlijkheid komen we amper te weten dat het project zich situeert in de context van een grootstedelijke schoonmaakoperatie. Onvergeeflijk, of heel verstandig van Griffith aangezien juist die context duidelijk zou maken dat de Heerlijkheid eigenlijk een project is dat op veilig speelt en vooral de toekomstige bewoners moet geruststellen over de goede vibes in de probleembuurt. Of zoals ze zelf over het project schrijven: “Hoogvliet Heerlijkheid is a project about contradictions that live happily ever after”. Of het dan over rechts-populisme gaat of commerciële architectuur doet er niet toe. Dit versterkt de indruk dat onder het vette, spectaculaire hoesje vooral een typisch Britse, pragmatische architectuur schuilgaat die, zo stelt hij expliciet in dezelfde tekst, ‘geliefd wil worden’.

Moderator Alejandro Zaera Polo (decaan van het Berlage Institute) liet de kans liggen om Griffith schaakmat te zetten. In de discussie na afloop van de lezing ontpopte Griffith zich tot één van die gladde figuren die, ondanks hun flirten met contradicties, onmogelijk te provoceren zijn. Een eerste spreker uit de zaal drukte zijn ongeloof uit over de beleefde babbel tussen twee figuren die, als je hun werk overziet, het elkaar knap lastig zouden moeten maken. Door het stilzwijgen van Zaero Polo en de pathetische ontboezeming van Griffith dat hij respecteert dat de ene architect het zus doet en de andere zo, bleef het rustig. Een tweede spreker stelde dat Griffith het toppunt van de middenklasse-architect is die, om de goede vrede te bewaren, strategisch shopt tussen links en rechts, radicaal en traditioneel, Lenin en Louis XIV. Het bleke weerwoord van Griffith bevestigde slechts de anything goes attitude waar heel zijn werk van is doordrongen en hiermee het feit dat we met FAT de architecturale tegenhanger te pakken hebben van de ‘laatste mens’ in Fukuyama’s Het einde van de geschiedenis en de laatste mens. De architect als een esthetische expert die niets meer te brengen heeft dan het zuiver formele mixen van de beeldcodes uit de geschiedenis van de architectuur: God is a deejay! Maar zelfs hier schiet Griffith tekort: zijn mixes zijn voorspelbaar en kunnen hoogstens bij een architectenpubliek een paar monkellachjes ontlokken.

Het paradoxale effect van Griffiths lezing is een nostalgisch verlangen naar de pathos waarmee de goede oude middenklasse architect zijn – toegegeven, elitaire en ideologisch gestuurde – smaak verdedigde en zich druk maakte over gebruikers die zijn ontwerp ‘verminkten’. Kortom, als FAT vet is, dan liever de spreekwoordelijke architect met zwart hemd en designbril.