Feature —

Een één viertje Rijksbouwmeester

Fransje Hooimeijer

Ter gelegenheid van het 100 jarige bestaan van de faculteit Bouwkunde kregen de rijksbouwmeester en zijn drie adviseurs de uitnodiging om hun Agenda 2005 toe te lichten. Het was een zeer amicale bijeenkomst.

Rijksbouwmeester Mels Crouwel begon met een toelichting op zijn functie en die van het college van adviseurs. De functie van rijksbouwmeester heeft in de afgelopen jaren een noodzakelijke omslag gemaakt, meelopend met de veranderingen in de ruimtelijke ordening. Zoals Friedhoff in de jaren ’50 de laatste ‘bouwmeester’ was en rijksgebouwen nog daadwerkelijk ontwierp, zo is de architectonische opgave van nu gevangen in een complex web van belangen en krijgt de ruimtelijke opgave steeds meer een marktgerichte benadering, dit in tegenstelling tot verschillende buitenlanden waar men vanuit een compleet marktgerichte situatie weer terug gaat naar een constructie waarin de rijksbouwmeester meer invloed heeft in plaats van alleen maar een adviesrol. De omslag naar een meer marktgerichte benadering komt tot uitdrukking in de vele PPS constructies en in de aanstelling van het college van adviseurs. Het college in de personen van Jan Brouwer (voor infrastructuur), Dirk Sijmons (voor het landschap) en Fons Asselberg (voor de cultuurhistorie) zal de geïntegreerde opgave aan de kaak stellen, mede door studies als de verbouwing van het Haarlemse belastingkantoor tot woningen en de bouw van windmolens zo groot als de Euromast. Dit is ook het belangrijkste uitgangspunt van de Agenda 2005 die grotendeels een reactie is op het overheidsstandpunt ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’.

Crouwels persoonlijke agenda als Rijksbouwmeester richt zich op een meer flexibele houding ten aanzien van de toekomst. De realiteit is vaak kortlopend en daar moet een accurate reactie op gegeven kunnen worden. Naar zijn smaak wordt er teveel over procedures en te weinig over inhoud gepraat. Een opschoning van de overlegcultuur (door beter voorwerk en minder overleg) en een andere omgang met inspraakprocedures (niet meer te vroeg de verkeerde zaken de inspraak in brengen) zouden daarin een wereld van verschil maken. Daarnaast ziet Crouwel internationalisering als een belangrijk thema: kennisuitwisseling als een exportproduct.

De rijksadviseur voor infrastructuur, Jan Brouwer, vervolgt de vooral gezellige middag positief met zijn verhaal over de succesvolle inpassing van de HSL in Nederland (in vergelijking tot België). In Nederland wordt per landschap het tracé anders behandeld. Deze werkwijze is een direct gevolg van de ervaring die is opgedaan met de studie naar de A12. De studie toonde aan dat een tracéontwerp, rekening houdend met verschillende landschappen, principiële uitgangspunten nodig heeft die tot richtbeelden moet leiden. In navolging hiervan presenteerde Brouwer een bouwdoos voor geluidsschermen. De verrommeling of ‘het gebroddel’ moet volgens Brouwer ook aangepakt worden door een meer principiële manier van denken over het netwerk. Hij doelt daarmee op het kijken naar virtuele netwerken om het fysieke netwerk te ontlasten en netwerken zoals de metro die minder fysiek aanwezig zijn in de stad.

Ten slotte signaleert Brouwer een tweede beweging binnen zijn opgave: de aantrekkingskracht van infrastructuur op verstedelijking en visa versa. Een van zijn doelstellingen is het wegwerken van het conflict tussen verstedelijking en de snelweg. Men kan op de snelweg een positieve ervaring van de stad krijgen en tegelijkertijd hoeft de stad geen negatieve effecten te ondervinden van de snelweg.

Referent Luisa Calabrese (TU) wijst op het feit dat juist het niveau van het opdrachtgeverschap een cultuuromslag behoeft. Zo is deze opgave bestuurlijk vaak verdeeld, bij gemeenten ligt het op het bureau van twee wethouders, terwijl het integraal zou moeten worden bekeken. Brouwer erkent dit probleem en ziet de oorzaak in het autonome karakter van Rijkswaterstaat. LNV, VROM en Rijkswaterstaat moeten hun opdrachtformulering meer integraal neerzetten.

De Rijksadviseur voor het landschap Dirk Sijmons stelt de volgende vraag centraal: wat zijn de grote opgaven die het landschap van de 21ste eeuw gaan vormgeven? Met de bewustwording van het feit dat Nederland vanaf het jaar 1000 ‘ontworpen’ is als energielandschap staan we nu voor en grote transformatie door verstedelijking en vooral ook de wateropgave. Volgens Sijmons is de wateropgave de laatste grote collectieve opgave die ons nog eeuwen parten gaat spelen. Er moet 490.000 ha waterberging komen, dat is de helft van de Provincie Zuid-Holland, en dus een enorme ontwerpopgave.

Een van zijn programmapunten wordt gevat onder de titel: de rijksadviseur rekent! Daarin stelt Sijmons zich de vraag wat het Groene Hart ons gaat kosten. De grondprijs is hier gestegen naar 500.000 euro per hectare en rendeert niet ten aanzien van het agrarisch bedrijf. Voor het Groene Hart kunnen volgens Sijmons drie scenario’s geschetst worden:

1. doorgaan met het agrarisch bedrijf en het afwaarderen van het grondgebied: duur!

2. de marktwerking zijn gang laten gaan en een aantal groene sterren reserveren: duurder!

3. niets doen, het duurst!

Kortom, het is een complexe en enorme ontwerpopgave die vraagt om een verknoping van de agrarische sector met de ontwerperswereld. Gezien het aandeel van de agrarische sector in het bruto nationaal product is Nederland nog steeds een landbouwland. Wel is een beweging gaande van productie- naar consumptielandschap en Sijmons voorspelt dat in de toekomst 20% van dit consumptielandschap in beslag zal worden genomen door het paard. Om greep te krijgen op deze met name maatschappelijke en natuurlijke processen zijn ook procesontwerpen nodig. Sijmons nodigt de TU uit hier de aandacht op te richten. Helaas is de opleiding civiele planologie aan de faculteit van civiele techniek acht jaar geleden opgeheven.

De laatste spreker, rijksadviseur Fons Asselberg, beheert de cultuurhistorie. Voor een goede omgang met cultuurhistorie binnen in de ruimtelijke ordening is het volgens Asselberg van belang te beseffen ‘hoe je in de tijd staat’. Ruimte en cultuurhistorie hebben als gemeenschappelijke noemer tijd en in elke periode laat de tijd zich manipuleren. Zo was een toekomstbeeld na de oorlog aantrekkelijker dan het terug kijken op het traumatische verleden. De waardering voor het verleden is op dat moment gelegen in het heden en niet in het verleden zelf.

De Nota Belvedère moet het verleden met de toekomst verzoenen. Onder het motto ‘behoud door ontwikkeling’ moet cultuurhistorie als inspiratiebron dienen voor de moderne ontwerpopgave. Deze moet bestaan uit bewust onderzoekend ontwerpen dat leidt tot een begrippenkader waarin behoud, bescherming en reconstructie een plek krijgen. Asselberg noemt dit erfgoedfilosofie. In Nederland staan het ontwerp en restauratie vaak met de ruggen tegen elkaar aan. Met behulp van erfgoedfilosofie is het mogelijk deze ontwikkeling een nieuw fundament te geven.

De vier sprekers maakten deze middag duidelijk dat de vier aandachtsgebieden van het college belangrijk zijn in de zorg voor het Nederlandse landschap. Dat het landschap niet is op te delen in deze aandachtsgebieden, maar moet juist integraal worden aangepakt. Nu maar hopen dat hun boodschap gehoord wordt en in daden wordt omgezet.