Feature —

Het Aziatische raadsel – 4 alibi”s

Bert de Muynck

Op vrijdag 18 november gaf Rem Koolhaas in Felix Meritis te Amsterdam een lezing die aangekondigd werd als Skyscrapers and Sledgehammer: Urban Renewal in China.

Rem Koolhaas was door het IIAS (The International Institute for Asian Studies) uitgenodigd om hun jaarlijkse lezing te houden. Hij startte zijn lezing met de aankondiging dat hij niet als een superster zou spreken zoals de inleider aankondigde, maar als een amateur-detective. En hij zou het niet over wolkenkrabbers en sloophamers hebben, maar over de vier ideologieën die bepalend zijn geweest voor de architectonische en stedenbouwkundige ontwikkeling op het Aziatische continent: fascisme, democratie, communisme en marktrealisme. Deze invalshoek was de aanzet voor een politieke analyse van de Aziatische geschiedenis en haar invloed op de architectuur en de architect.

Koolhaas begon zijn verhaal met een persoonlijke noot. Toen hij acht was verhuisden zijn ouders naar Jakarta, zijn eerste ontmoeting met een Aziatische stad. Wat hem in Jakarta opviel was dat de stad zich kenmerkte door de informele architectuur van de onofficiële stad, wat men in het Indonesisch omschrijft als kampong, of in het Chinees als hutong. Koolhaas kon er dagen in rondlopen, opgenomen door een architectuur die letterlijk in ontwikkeling is.

Het politieke verhaal begon met de inval en bezetting van Mantsjoerije in het noorden van China, door de Japanners in 1937. Zij waren op zoek naar lebensraum, die vervolgens door architecten in de vorm van snelwegen, spoorwegen, monumenten en steden kon worden gekoloniseerd. Een van de architecten die destijds in dit gebied werkte was Kenzo Tange, aldus Koolhaas. Tange werkte in die jaren op het bureau van Kunio Maekawaen en was als zodanig mogelijk bij bouwactiviteiten in Mantsjoerije betrokken. Maar om hem nu als een Japanse Speer voor te stellen, zoals Koolhaas leek te suggereren, is toch wat zwaar aangezet.

Dit verhaal eindigt met de atoombom. Of zoals Koolhaas het stelde: 'strangely enough war is good for architecture'. Op de destructie van Hiroshima waren maar twee reacties mogelijk: architecten zouden ofwel utopisch, of cynisch worden. Vervolgens plaatste Koolhaas de figuur van Tange in de context van de Japanse architectuurontwikkeling na de jaren vijftig en beschreef hoe de Japanse regering tijdens de naoorlogse jaren doelgerichte pogingen ondernam om het internationale architectuurdebat te bepalen, onder andere door het organiseren en 'begeleiden' van prijsvragen. Dit lukte hen, gezien het naoorlogse succes van het metabolisme: vroegere vijanden werden gepacificeerd tot bondgenoten. Tange werd door Koolhaas opgevoerd als de architect die moeiteloos van het ene naar het andere regime kon omschakelen. Vervolgens verplaatste Koolhaas zich naar Singapore, dat hij ontmaskert, zoals hij dat eerder deed in Singapore Songlines (S,M,L,XL), als de ultieme verbeelding van het metabolisme – de vroegere bezetter (Japan) werd de bevrijder.

In vogelvlucht belichtte Koolhaas de verstedelijking van het Chinese platteland onder invloed van Mao Zedong en de ontwikkeling van de Pearl River Delta onder Deng Xiaoping. De modernisering van China, zo betoogde hij, had (en heeft) als doel om het kapitalisme zo te gebruiken dat het communisme kon blijven bestaan. De gevolgen hiervan werden door Koolhaas geïllustreerd aan de hand van bekende theorieën over de Pearl River Delta, de Chinese architect, de wolkenkrabber, het gebrek aan (westerse) stedelijke theorieën na de jaren zeventig en gedachten over het behoud van stedelijk en architectonisch erfgoed. Dit alles leidde tot een eindbeeld waarin het platteland een verbond sluit met de fata morgana van de grootstad. Zonder clashes, maar met een intensificatie van verschillen. Een ervaring van contrasten die we in de westerse stedenbouw niet meer tegenkomen.

Van zijn projecten liet Koolhaas het CCTV en zijn schema voor de ontwikkeling en van de oude binnenstad van Beijing zien. Met betrekking tot dat laatste project verwoordde hij het probleem van de huidige preservation-beweging als volgt: eerst is er preservation, dan rehabilitation en vervolgens gentrification. Hierdoor wordt de traditie/geschiedenis ontdaan van haar ontwikkelend vermogen, er blijft enkel een simulacrum over. Net zoals het marktrealisme (met als ideaalbeeld de monofunctionele wolkenkrabber) alleen het simulacrum van een mogelijke ontwikkeling geeft maar er niet actief aan deelneemt, integendeel zelfs. Voor Koolhaas kan preservation dan ook hand in hand met modernization gaan en leiden tot een samengaan van het oude en het nieuwe. Want wat je wilt behouden, stelde Koolhaas, is de authenticiteit.

Koolhaas' reis rond de vier ideologieën in zestig minuten eindigde in Dubai, de apotheose van het marktrealisme. Achteraf was er nog een vragenuurtje van een panel, dat er – volgens Koolhaas – absoluut weinig van begrepen had. Of dat ook zo was, of dat hij gewoon last had van een slecht verteerd verjaardagsdiner, het deed er niet toe. Koolhaas stelde namelijk zelf de vragen, zoals een echte detective betaamt.