Nieuws —

De scheidslijn tussen strategie en tactiek

Robert-Jan de Kort

In het kader van de lezingenreeks ‘Rethinking Representation’ gaf Stan Allen op dinsdag 10 januari een lezing in het Berlage Institute. Allen liet het publiek aan de hand van een schema, waarin de begrippen strategie en tactiek tegen elkaar waren uitgezet, kennismaken met een groot aantal van zijn al dan niet gerealiseerde projecten.

Stan Allen is een veelzijdige architect die zich zowel met onderwijs, theorie als de architectuurpraktijk bezig te houdt. Hij is decaan van de Architectuur faculteit van Princeton University, heeft een eigen bureau (SAA) en reist de wereld over om lezingen te geven. De eerste regel van zijn boek Points and Lines (Diagrams and Projects for the City) toont treffend de zoektocht van Allen als architect, docent en onderzoeker. De zin beschrijft hoe Jeffrey Kipnis bij het lezen van de CV van Allen concludeerde dat hij óf veel ouder is dan hij eruit ziet, óf erg in de war is.

Allen begint zijn lezing met zijn grootste fascinatie; de condities van het veld (the field conditions). Het veld kan beschreven worden als een horizontale ruimte zonder vaststaande grenzen waarbinnen functies, vectoren en snelheden belangrijker zijn dan materie. Velden kunnen worden gestructureerd door een systeem dat op groei anticipeert, zoals een grid. Allen heeft het hierbij over ‘Thick 2D’. Het grid van Los Angeles is volgens Allen, in tegenstelling tot Europese historische steden, exemplarisch voor een veld als stedelijke context.

Aan de hand van een diagram van de website van zijn bureau toont Allen een organisch model van architectuur, stedenbouw, infrastructuur, landschap, ecologie en speculatie. Architectuur bevindt zich centraal in het diagram, als hart van het model. Allen pleit voor samenwerking tussen de vertegenwoordigers van de verschillende domeinen, getuige ook zijn jarenlange samenwerking met landschapsarchitect James Corner (Field Operations), en vergelijkt het diagram met een klaverblad dat – het klinkt een beetje tegenstrijdig – tegelijkertijd verbindt en gescheiden houdt.

Hij vervolgt met een uitgebreid schema waarin de begrippen ‘strategie’ en ‘tactiek’ zich tot elkaar verhouden. Strategie gaat over macht en ruimte, tactiek is week en tijdelijk. Strategische planning wordt gedaan met afstand tot een gebied, terwijl tactische beslissingen ter plaatste worden gemaakt. Tegenstellingen als calculatie/improvisatie, kennis/intuïtie, kaart/diagram, semiotisch/fysisch, territorium/mobiliteit verduidelijken zijn schema. Allen verklaart dat ontwerpers veelal aan de strategische kant van de scheidslijn thuishoren, maar zeer worden aangetrokken door de tactische zijde. Het grensgebied tussen de begrippen is daarom van belang, tussen strategie en tactiek komen bijvoorbeeld begrippen als kennis en intuïtie samen in het begrip ‘know-how’. Dit gebied noemt Allen ervaring.

1. LB House, Glendal, USA, 2001
2. diagrammen Downsview Park, Toronto, Canada, 2000
3. Contemporary Music Center, Taichung, Taiwan, 2004
4. Contemporary Music Center, Taichung, Taiwan, 2004

Dan volgen de projecten van SAA waarbij Allen begint met een aantal huizen die met behulp van simpele diagrammen tot stand kwamen. Schattige huisjes, maar de relevantie tot de inleiding en het thema van de lezing is niet echt duidelijk. Een huis is een object en heeft weinig invloed op het veld. Allen vervolgt met vijf enorme landschapsprojecten die hij, in samenwerking met James Corner, plaatst binnen het domein van de strategie.

Hun fascinatie voor topologie, kunstmatige ecologie en de ruimtelijkheid van het veld wordt het meest zichtbaar in het prijsvraagontwerp voor Downsview Park in Toronto. Het gebied is verdeeld door twee systemen die programma en ecologie scheiden. Een verhoogd ringvormig circuit organiseert de menselijke activiteiten terwijl het landschap eronder zich vrij kan ontwikkelen. Waar het bureau van James Corner het landschap ontwerpt neemt Allen de architectonische invulling voor zijn rekening. De scheiding tussen de domeinen is duidelijk, maar gemengd worden ze zeker niet.

Voorbeelden van tactische projecten zijn de tuin van de Franse Ambassade in New York en een ontwerp voor de invulling van een bestaande stalen constructie voor een nooit voltooide luchtbrug in Newport. In beide projecten werd op kleine schaal geïmproviseerd om een bestaande conditie nieuw leven in te blazen. Bij de Ambassade betreft het een tussengebied van twee gebouwen en in Newport een goedkope nieuwe invulling van een misser van de plaatselijke overheid.

Allen sluit af met een megaproject voor een hedendaags muziekcentrum in Taiwan (CMC). Het muziekcentrum met een 18.000 plaatsen tellend openlucht auditorium is ingebed in een volledig kunstmatig landschap waarop een kolossale balk rust. Het landschap bevat onderdelen van het totale programma, maar bevat ook een duidelijke architectonische toevoeging. Dit keer is Allen de ontwerper van zowel landschap (met programma) als gebouw en fungeert Corner als landschapsarchitect voor de (niet-programmatische) invulling van de omgeving. Hier beheerst de architectuur (het kunstmatige) het hele gebied en voert de boventoon – boven landschap en ecologie, precies zoals in Allens eerder beschreven diagram.

Terugkomend bij het schema van strategie en tactiek eindigt de lezing nogal onduidelijk. Op de één of andere manier scheppen de getoonde projecten geen duidelijkheid over de theoretische achtergrond van het schema. Vooral het tonen van de huizen had Allen ons kunnen besparen, ware het niet dat die huizen de spaarzame uitgevoerde projecten van SAA vormen en daarom toch enigszins relevant blijken. Zoals Lara Schrijver in haar stuk over de lezing van Mark Linder al vaststelde wordt er in de Amerikaanse bouwpraktijk weinig vernieuwend gebouwd. Ambitieuze architecten zoeken daarom hun heil in theorie en mogen blij zijn als ze zo nu en dan een huisje mógen bouwen. Allen lijkt vooralsnog beter thuis in de theoretische hoek, maar is zoekende naar ervaring in het door hem geadoreerde veld.

Tot slot geeft Berlage decaan Zaera Polo aan dat, met het oog op het thema van de lezingenreeks ‘Rethinking Representation’, er bij architecten en studenten opnieuw een verlangen bestaat naar een Utopia, waarin architectuur weer ideeën kan representeren. Een architectuur van iconen en objecten, voor een stedelijk publiek. Architecten hebben zich, na het postmodernisme, lange tijd het horizontale vlak wilden toe-eigenen, nu begint ineens het verticale vlak, het oorspronkelijke domein van architecten, weer interessant te worden.

Allens standpunt is in deze niet echt eenduidig. Waar de theoreticus Allen het heeft over een veldconditie als belangrijkste context voor ontwerpers en pleit voor een ‘Thick 2d’ invulling van het veld lijkt de architect Allen nu inderdaad terug te komen bij het object – de huizen in zijn lezing – als werkdomein. Om dit te benadrukken zegt Allen ook nog eens dat grote ideeën niet echt bruikbaar zijn bij het maken van kleinschalige projecten. De architect Allen legt het af tegenover de theoreticus Allen. De lezing had met andere voorbeelden dan die uit de eigen praktijk van Allen hartstikke interessant kunnen zijn.