Opinie —

De vuilnisbelt van de architectuurgeschiedenis – een reactie

Ole Bouman

De reactie van Ole Bouman op het artikel De vuilnisbelt van de architectuurgeschiedenis van Wouter Vanstiphout.

.

Dat Wouter Vanstiphout kan schrijven, bewijst hij wederom in zijn dankrede voor de Erasmus Studieprijs. Vakkundig worden de architectuurhistorici gefileerd, die maar niet willen begrijpen dat het bij geschiedenis om geschiedenis gaat, en niet om mythologie. Dat wil zeggen, dat ze zich rekenschap zou moeten geven van wat er werkelijk gebeurt, van ‘het vuil, de stad en de dood’, van de hitte des daags, of hoe al die beroemde formules van realiteitsbesef ook mogen luiden. Daarmee zou de architectuurgeschiedenis, en in het verlengde daarvan ook de architectuurkritiek, op moeten houden met het zich blindstaren op de intenties van ontwerpers en zich moeten richten op wat er van die intenties geworden is. En passant kan er dan ook meteen een nieuwe architectuurfotografie ontstaan; één die niet het geïdealiseerde object laat zien, maar het patina van het echte leven dat het gebouw sinds de oplevering in bezit heeft genomen.

Vanstiphout zegt het allemaal mooier. Maar eloquentie is niet hetzelfde als steekhoudend argumenteren. Ten eerste haalt Vanstiphout architectuur en stad door elkaar. Voor een leerling van Ed Taverne is dat wellicht de normaalste zaak van de wereld. Taverne heeft immers vanuit de Groningse faculteit architectuurgeschiedenis hele generaties stede(n)bouw- en stadshistorici opgeleid. Voor Taverne was de stad veelal de substantie van de architectuur en daar valt veel voor te zeggen. Maar bij het kritiseren van de architectuurhistorische praktijk is het raadzaam het onderscheid wèl te maken. Een gebouw valt nu eenmaal beter als een artistiek en intellectueel project te analyseren dan een stad. Het werk van de architect, hoe vuil deze zijn handen ook maakt, is altijd toch nog heel wat minder gecompliceerd en zuiverder in het proces van idee tot realisatie, dan het gecollaboreer dat de stedenbouwer eigen is. Je kunt dus niet zomaar vanuit een opvatting over de stedelijke werkelijkheid het verdict uitspreken over een bepaald genre architectuurkritiek dat zich wijdt aan de oorspronkelijke bedoelingen van architecten. Dat genre mag bestaan, al moet je natuurlijk hopen dat het niet het monopolie krijgt.

Daarmee kom ik op een tweede misvatting die onder het oppervlak van de retorische golfslag blijft. Vanstiphout doet net alsof hij met zijn realisme afscheid neemt van een omnipotente architectuurgeschiedenis van zuivere bedoelingen achter zuivere objecten. Maar is die praktijk niet al jaren volledig impotent? Ed Taverne heeft die boodschap toch al een kwart eeuw geleden verkondigd, en na hem allerlei leerlingen en andere geestverwanten die nu overal de historische lakens uitdelen? En hebben tijdschriften als Archis, Quaderns, Urban China en zelfs good old Domus niet allang de hele objectivistische en idealiserende benadering van architectuur overboord gezet door domweg de overstap te maken van een monografische – gebouw- en architectgerichte – aanpak, naar een ruimtelijke analyse op basis van maatschappelijke thema’s die veel groter zijn dan de figuur van de architect of zelfs de architectuur? Wat dat betreft is de monografische keuze voor Van den Broek als centrale figuur van Vanstiphouts dissertatie een academische knieval voor de door hemzelf verfoeide behoefte aan een gepersonaliseerde en heroïserende geschiedschrijving van, liefst wat vergeten, individuele ontwerpers.

En daarmee kom ik op het derde punt dat wellicht in Vanstiphouts welbespraaktheid aan de aandacht dreigt te ontsnappen. Hoe komt het toch dat de architectuur altijd weer wordt gegijzeld door de laatste bevrijdingstheologie? Historici willen een belangrijke figuur aan de vergetelheid ontrukken, of nu eindelijk eens aandacht geven aan een historische realiteit. Architecten (zie bijvoorbeeld de discussie over stijl, op ArchiNed onlangs weer gevoerd) zetten zich af tegen vermeende tegenstanders omdat ze ofwel geen enkel idee hebben van de culturele rol van hun vak, ofwel geen enkel idee van wat de mensen werkelijk willen. Welke vete ook wordt uitgevochten, je schijnt in de architectuur niet mee te tellen als je het niet opneemt tegen imaginaire tegenstanders die de ware macht wordt toegekend, maar in werkelijkheid vaak hun beste tijd allang hebben gehad. De vermeende simpele en naïeve zielen waar Vanstiphout het tegen opneemt zijn er nauwelijks nog, en als ze er al zijn, is het niet de moeite waard om er nog een hele oorlog tegen te beginnen met welluidende pleidooien. Het verbaast dan ook niet dat iedereen het meteen met Vanstiphout eens is, getuige de andere reacties op zijn dankrede.

Misschien wordt het tijd om de architectuur niet zozeer te verlossen van de geprojecteerde domheid dan wel slechtheid van hen met wie je het vakgebied deelt, maar van de onderliggende houding waarmee de dommen en de slechten elkaar altijd weer bestrijden: het idee een verlosser te zijn. Dan zou misschien eindelijk die architectuurgeschiedenis kunnen ophouden voor zichzelf te schrijven om louter en alleen het eigen geheugen op te frissen. Misschien zou ze dan echt eens kunnen gaan bijdragen aan de maatschappijgeschiedenis, aan het openbare bestuur en aan het publieke debat.