Nieuws —

Frank O. Gehry als psychoanalyst?

Benda Hofmeyr

Architecten, stedenbouwtheoretici en psychoanalytici die samen brainstormen over mogelijke interventies in laatkapitalistische stedelijke processen; BAVO en Lorenzo Chiesa maakten het mogelijk tijdens een driedaagse conferentie ‘Psychoanalysis, urban theory and the city of late-capitalism’.

Dat de vele perikelen van de laatkapitalistische stad – denk aan de toenemende angst in de openbare ruimte, gentrificatieprocessen, risicostedenbouw enzovoorts – stedenbouwtheoretici en architecten een doorn in het oog zijn en dat zij druk nadenken over mogelijke interventies, daar zal niemand van opkijken. Recentelijk kwam de laatkapitalistische stad ook hoog op de agenda te staan van psychoanalytici. Jacques-Alain Miller (prominent Frans psychoanalyticus) riep onlangs zijn collega's op hun kennis in te zetten ter voorkoming van paniekreacties die het normaal functioneren van de stad zouden verstoren. Deze uitspraak veroorzaakte hevige discussie onder psychoanalytici over hun precieze politieke rol vis-à-vis laatkapitalistische stedelijke processen.

De conferentie Psychoanalysis, urban theory and the city of late-capitalism wilde deze discussie uitdiepen en uitbreiden door vermaarde psychoanalytici als Juliet MacCannell en Renata Salecl samen te laten brainstormen met stedelijke theoretici als Edward W. Soja.

In zijn inleiding verhoogde Gideon Boie (BAVO) meteen de inzet: kunnen psychoanalytici en stedenbouwtheoretici méér doen dan enkel hun expertise aanwenden voor de status-quo? Kunnen zij ook een bijdrage leveren aan een alternatieve politieke stedelijke economie? Hij wees hierbij op de dubbele functie van de psychoanalyse: het gaat niet slechts om een analyse van symptomen, maar vooral om een interventie die de patiënt ertoe moet brengen een punt te zetten achter zijn symptomen. Om dit actueel te maken, schotelde Boie tijdens de openingslezing de nog gloeiende case voor van de rellen in de Franse achterstandsbuurten. Hoe is het mogelijk dat een wereldstad als Parijs slechts kan functioneren door een deel van het grootstedelijk oppervlak buiten de reguliere stedelijke economie te houden? Met deze vraag provoceerde hij de deelnemers: Analyze this!

Juliet MacCannell (professor Engels en literatuurwetenschappen aan de University of California) tackelde het typisch laatkapitalistische fenomeen van de big box stores zoals Praxis en Ikea. Anders dan de Parijse winkelpassages die Walter Benjamin mateloos fascineerden, hebben we hier, aldus MacCannell, niet langer te maken met een ‘architectuur van het verlangen’. Geen vitrines meer waarin verkopers met fluwelen handschoentjes allerlei onbetaalbaars etaleren… Veeleer een magazijnruimte waarin alles in voordeelverpakking te grabbel ligt voor de klant die als een depotarbeider de koopwaar zelf uit de rekken mag halen. Dit schijnbaar grenzeloze ‘instant-genot’ van de big boxes eindigt echter abrupt eenmaal je uit de lopende band van de Ikea rolt en met een volgestapeld winkelkarretje pardoes wakker wordt op een inerte parkeerasfaltvlakte. Hiertegenover stelde MacCannell haar hoop op een architectuur die haar gebruikers ‘anders doet kijken’. Ze verwees hierbij naar de Fukuoka Prefectural International Hall van Emilio Ambasz.

Edward Soja (professor Ruimtelijke Ordening aan de Universiteit van Californië) sloot hierbij aan maar benadrukte dat in de analyse de stedelijke economische ruimte niet mag worden vergeten. Hij lichtte zijn methode van de ‘spatioanalyse’ toe – een term die hij ontleent aan Henri Lefebvre – en situeerde haar politieke doel in het blootleggen van de politieke motieven en psychosociale processen die ten grondslag liggen aan de gebouwde omgeving. Zo schoof Soja ‘psychastenia’ naar voren als een typisch laatkapitalistisch fenomeen waarin het oriëntatiegevoel van de ruimtegebruiker systematisch wordt verstoord zodat deze voor zijn navigatie afhankelijk is van allerlei autoriteiten. De spatioanalist richt zich op de repolitisering van de ruimte door middel van interventies die het initiatief terug bij de gebruiker leggen. De impact die de Bus Riders Union in Los Angeles had op stedelijke ontwikkelingen fungeerde hierbij als voorbeeld. Door allerlei acties voorkwam ze de aanleg van een omstreden treinnet en in plaats daarvan werd geïnvesteerd in de versterking van het openbare busnetwerk die getto’s verbindt met belangrijke centra.

Matthias Pauwels (BAVO) analyseerde wat hij de ‘obsessionele’ ontwerptactiek noemde eigen aan het laatkapitalisme. Bij elk probleem in de stad wordt een legertje experts, sociologen en ontwerpers uitgestuurd om de reële noden op te meten, creatieve oplossingen op maat te bedenken, openbare debatprogramma’s op touw te zetten enzovoorts. Het paradoxale effect van deze hyperactiviteit van de kant van de ruimtelijke experts is, aldus Pauwels, dat elk georganiseerd protest van de slachtoffers zelf preventief onmogelijk wordt gemaakt. Een heterogeen gezelschap van ‘sociaal-ruimtelijke werkers’ doet het immers reeds voor hem – of tenminste, lijkt het te doen voor hem. Pauwels pleitte voor een ruimtelijk activisme dat opereert vanuit de positie van de psychoanalyst en de eindeloze stroom aan ‘antwoorden zonder vraag’ waarmee de laatkapitalistische ruimte wordt gebombardeerd, te confronteren met een vraag waarop geen ‘instant’ antwoord mogelijk is. Hij verwees hiertoe naar een ‘kunstwerk in de openbare ruimte’ met als titel ‘Bitte liebt Österreich’ van de Duitse kunstenaar Christoph Schlingensief.

1 Woonhuis Baete-Doubbel – Wim Cuyvers (foto Wim van Nueten)
2 Guggenheim Bilbao – Frank Gehry

Tijdens de ronde tafeldiscussie kwam ter sprake hoe een gebouw zèlf kan gezien worden als een (spatio- of psychoanalytische) interventie die gebruikers van een specifieke ruimtelijke context aanzet tot actie. Centraal stond de bekende ‘glazen serrewoning’ van Belgische architect Wim Cuyvers. Dit gebouw dreef niet alleen de buurtbewoners, maar zelf de Belgische Orde van Architecten tot razernij door haar eigenzinnige interpretatie van de gemeentelijke regelgeving. In plaats van de traditionele fermette te zien als voorbeeld van ‘bouwen in een streekeigen materiaal’ gebruikte Cuyvers het veel goedkopere industrieel serreglas dat toegepast wordt in de omringende tuinbouwindustrie. Volgens Pauwels vervult dit gebouw de twee taken van de psychoanalytische interventie: het zichtbaar maken van de contradicties in de context én het contesteren van de heersende vooronderstellingen van de betrokkenen/gebruikers.

In de discussie verzette met name Soja zich tegen deze voorstelling van zaken. Hij waarschuwde voor ‘overinterpretaties’ van individuele architecturale gevallen en benadrukte het belang van de stedenbouwkundige schaal waar processen spelen die achter gebouwen schuilgaan. Deze (luidruchtige) scepsis was opmerkelijk omdat hij hiermee de architectuur de potentie ontzegde om via een lokale interventie te interveniëren in de ruimere, globale context. Dit laatste vormde echter juist de kern van zijn eerdere betoog voor de spatioanalyse, als een vorm van verzet die bij machte is om door een act op het laagste schaalniveau de machtsverhoudingen op hogere schaalniveaus te beïnvloeden.

MacCannell had meer sympathie voor het ‘analytische potentieel’ van architectuur. Ze verwees hierbij naar Gehry’s museum in Bilbao. Volgens haar intervenieert dit gebouw op complexe wijze in de onderliggende socio-economische krachten. Zo werd voor het walsen van de titanium gevelplaten het unieke vakmanschap ingezet van dezelfde metaalarbeiders die als gevolg van globalisering en masse werkloos zijn en de verloederde context bevolken. In die zin noemde ze het gebouw ‘geactualiseerde pijn’: een laatste ode aan de verdwijnende industriële arbeidersklasse en hun expertise in een EU-land als Spanje. De vraag bleef hangen of het meer effectief zou geweest zijn als Gehry in zijn interventie óók de pijlen gericht had op de ‘winnaars’ in dit hele verhaal: de nieuwe creatieve elite die het museum platlopen op zoek naar een snelle architecturale kick.

De verdienste van de conferentie lag vooral in het openleggen van de verschillende fronten waar psychoanalyse en architectuur elkaar kunnen vinden in het analyseren van laatkapitalistische stedelijke processen. Al bleek het vaak moeilijk voor psychoanalytici en stedenbouwtheoretici om door de grenzen van hun eigen discipline te breken, de vurigheid van de discussie maakte veel goed. Het maakt vooral hongerig naar meer uitvoerig werk op dit gebied.