Nieuws —

Looking Good – Sarah Whiting

Marina van den Bergen

Op het Berlage Instituut wordt sinds oktober 2005 een serie lezing gegeven met als centrale thema Rethinking Representation. Dinsdag 18 januari liet Sarah Whiting in een didactisch zeer verantwoorde lezing zien wat projective architecture in haar ontwerppraktijk betekent.

Sarah Whiting begon met de mededeling dat ze erg teleurgesteld was dat Alejandro Zaera Polo, verantwoordelijk voor het onderwijsprogramma op het Berlage Instituut, niet aanwezig kon zijn. Graag was ze met hem in discussie gegaan over het gebruik van metaforen om gebouwen te omschrijven. FOA, het bureau van Zaera Polo, gebruikt bij het ontwerp voor een sporthal in Londen de metafoor van schelpen. Metaforen om een gebouw te beschrijven maken volgens Whiting van het gebouw iets anders dan architectuur, het verliest zijn autoriteit, het wordt reflectief in plaats van projectief.

Met haar werk probeert Whiting architectuur weer een stem te geven, een rol te laten spelen, in het debat over de publieke en openbare ruimte. Samen met Robert Somol (die 8 november jl. op het Berlage een lezing gaf) schreef zij Notes around the Doppler Effect and Other Moods of Modernism (Perspecta 33, 2002), waarin zij als alternatieve ontwerpbenadering voor de 'kritische architectuur', projective architecture inzetten.

Whiting is verbonden aan de architectuur faculteit van de Harvard Universiteit. Daarnaast heeft ze sinds 1999 een ontwerppraktijk met Ron Witte, genaamd WWarchitecture.

De titel van de lezing Looking good had geen betrekking op ‘er goed uit zien’, maar stond voor ‘goed kijken’. Hoe kijken architecten naar architectuur en hoe kijken opdrachtgevers en gebruikers ernaar? Kijken wij (architecten) wel goed, vroeg Whiting zich af.

In vijfenveertig minuten werd aan de hand van drie thema’s duidelijk gemaakt dat er ook anders gekeken kan worden. Ter illustratie plaatste Whiting haar eigen projective architecture projecten tegenover een alledaagse interpretatie van het thema.

Het eerste thema betrof applied meaning. Robert Venturi's werk werd uit de kast getrokken als voorbeeld van verhalende architectuur. Whitings interpretatie van toegevoegde betekenis werd door haar geïllustreerd met een ontwerp voor een gemeenschapshuis in een arm deel van Lexington, Kentucky. Het programma bevatte onder meer een basisschool, een crèche en ruimten voor culturele activiteiten. In de loop van het ontwerpproces breidde het programma zich uit en werd heterogeen: er werd een museum toegevoegd, een zwembad en een fitnesscentrum. Architectonisch werd deze diversiteit uitgewerkt door in de bouwenveloppe zogenaamde ruimtelijke ‘parentheses’  te plaatsen die de verschillende programmaonderdelen clusteren, maar tegelijk de mogelijkheid open laten om de verschillende programma-onderdelen min of meer in elkaar te laten overlopen. Op maaiveldniveau is de ruimte nauwelijks ingedeeld, maar hoe hoger in het gebouw, hoe meer gedefinieerd de ruimten zijn.

Het project werd wegens het ontbreken van voldoende financiële middelen niet gerealiseerd, tot teleurstelling van de buurtbewoners die het ontwerp prachtig vonden. Waaruit Whiting concludeerde dat je als architect niet vooringenomen moet zijn over 'de smaak' van 'het publiek'.

museum voor San Jose State University’s School of Art & Design

Het tweede thema dat aan bod kwam, was process meaning. Met Palladio als voorbeeld liet Whiting zien hoe architecten betekenis in hun gebouwen leggen door uit te gaan van mathematische regels en schema’s. Dit stelt hun in staat relaties te leggen tussen de verschillende delen waardoor ze te begrijpen zijn als object. Niet het gebouw zelf maar de hulplijnen (symmetrie-assen, verhoudingstelsels, maatrasterlijnen etc.) geven betekenis aan het gebouw, aldus Whiting, en alleen architecten kunnen deze betekenis lezen. Hoe het anders kan, liet ze zien aan de hand van haar ontwerp voor het museum voor de San Jose State University’s School of Art & Design, een project dat nog in de ontwerpfase verkeert. De lijnen waarmee de ruimtes gedefinieerd worden, zijn Darwinistische lijnen; ze gaan relaties met elkaar aan en reageren op het ontwerpproces. Het voordeel van deze benadering is dat er in het ontwerp minder hiërarchie is, kleine ruimtes kunnen aan belang winnen. De Darwinistische lijnen zijn in tegenstelling tot de mathematische lijnen wel zichtbaar. Op een vraag uit de zaal of de lijnen Darwinistisch zijn of eigenlijk erosie verbeelden, antwoordde Whiting cynisch, dat het erosie is als je het systeem niet kan lezen.

X-house

Als derde en laatste thema werd experienced meaning opgevoerd; het perspectief versus de glance. Het perspectief, zo oordeelde Whiting, is eenduidig, monolithisch en verstoort daardoor een relatie tussen subject en object. De glance echter, is niet representatief en heeft geen eenduidige betekenis. Ter illustratie werd het ontwerp van het X-huis getoond. Voor huis X is de plattegrond van Palladio’s villa Rotonda uitgerekt waardoor de 'zichtlijnen' vanaf het centrum niet meer vrij zijn, bewegend door het huis wordt de blik steeds terloops door iets anders gevangen.

Na afloop van haar lezing was duidelijk dat Whiting betekenis aan architectuur wil geven door deze vanuit ieder standpunt anders te laten zijn. Net als bij het Doppler-effect wordt de waarneming en ervaring van het gebouw beïnvloed door de beweging.

Ze waarschuwde dat de meerduidige betekenis niet betekent dat er geen systeem is, het is niet 'everything goes'. Ze benadrukte dat er in het gemeenschapshuis een relatie was tussen vorm en programma; dat haar ontwerpbenadering uitgaat van het leggen van deze relaties, maar 'there is not one way of getting it right'.

Ze wil gebruikers graag bij haar gebouwen betrekken. Niet door inspraak want dat kan leiden tot verwatering van het project, maar door gebouwen te maken die 'uitnodigend' zijn.

De woorden mogen mooi klinken, maar – Whiting het voordeel van de twijfel gevend want een nieuwe ontwerpbenadering in 45 minuten uitleggen aan studenten is geen sinecure – er bestaat een zekere discrepantie tussen de ontwerptheorie en de ontwerpen zelf. Deze laatste vallen een beetje tegen. Is dit niet al eerder getoond? Klinkt hier een (vage en vervormde) echo van Van Eyck? Of projective architecture de nieuwe kleren van de keizer zijn, is nu nog moeilijk te beoordelen, misschien zijn Whitings eigen projecten niet de meest sprekende voorbeelden. Een zekere reserve lijkt in ieder geval op zijn plaats.