Nieuws —

De opmars van de McDonalds natuur

Remco Daalder

Het klimaat verandert en snel ook. Vanaf 1900 nam de temperatuur op aarde langzaam toe, een toename die na 1980 drastisch versnelde en waarvan het einde nog niet in zicht is. De wetenschappers van de Nederlands-Vlaamse ecologische vereniging NECOV bogen zich op 15 februari in Brussel over de gevolgen voor natuur en landschap. Algemene soorten nemen verder toe en zeldzame soorten dreigen uit te sterven. De natuur verMcDonaldst.

Klimaatdeskundigen zijn het erover eens, tegen het einde van de 21e eeuw zal de gemiddelde temperatuur op aarde 1,5 tot 6 graden gestegen zijn ten opzichte van nu. Deze stijging zal gepaard gaan met meer extreme regenval en meer overstromingen in kustgebieden. In de natuur hebben de klimaatsveranderingen wereldwijd al geleid tot grote verschuivingen, zo bleek op het NECOV- congres. Op Antarctica neemt 87% van de gletsjers in omvang af en verdwijnen grote platen landijs waardoor pinguïns in de problemen komen. Op eilanden om de Zuidpool heen nemen door de toegenomen warmte allerlei ingevoerde planten en dieren razendsnel toe ten koste van de oorspronkelijke natuur, zodat zelfs vrijwel verlaten woeste eilanden als Kerguelen en Marion tot ecologische rampgebieden kunnen worden bestempeld. In Afrika zal de woestijn flink om zich heen gaan grijpen, mede omdat met het verdwijnen van het regenwoud de buffercapaciteit tegen hogere temperaturen verdwijnt.

Een onverwacht bijeffect van de temperatuurstijging betreft hoogvenen en de toendra. Die vegetaties kunnen grote hoeveelheden van het broeikasgas CO2 vastleggen. Door de toegenomen warmte komt dat CO2 juist vrij in de atmosfeer. Bij de toendra’s wordt dit effect nog versterkt door het gegraas van ganzen. Die vogels zijn enorm toegenomen doordat de bejaging is gestopt en doordat onze landbouwgebieden ze ’s winters veel voedsel bieden. Wij verzorgen die dieren hier tot in de puntjes, waarna ze in de zomer naar Spitsbergen vliegen om daar met zijn allen de toendravegetatie zwaar te beschadigen, waardoor uiteindelijk het broeikaseffect flink toe kan nemen, met nog meer warmtestijging tot gevolg. Onderzoeker Ad Huiskes pleitte er dan ook voor de jacht op ganzen in Nederland maar weer te openen.

Effecten in Nederland

Veel warmteminnende soorten zijn sinds 1980 naar het noorden opgerukt en in Nederland verschenen. Daar zijn heel aardige dieren en planten bij als de Kolibrivlinder, de Kleine Zilverreiger, de Tijgerspin en het Bezemkruiskruid. Niets aan de hand dus, zou je zeggen: met het opschuiven der klimaatgordels schuiven de planten en dieren gewoon mee. Dat geldt echter alleen voor soorten die zich goed kunnen verspreiden en niet al te kieskeurig zijn in hun gebiedskeuze. Soorten die gespecialiseerd zijn in bijvoorbeeld veengebieden of die slecht of helemaal niet kunnen vliegen raken opgesloten in hun reservaatjes, die steeds meer ongeschikt zullen worden. Uiteindelijk zullen ze daar uitsterven. Met driekwart van de vlindersoorten gaat het nu al heel slecht in Nederland. Dirk Maes van het instituut voor bos en natuuronderzoek te Brussel voorspelde dat in 2050 een kwart tot een derde van het huidige aantal dier- en plantensoorten op de wereld verdwenen zal zijn. ‘Wat we overhouden is de McDonalds natuur, soorten die nu al heel algemeen zijn en zich overal thuis voelen.’

Een ander lokaal effect is dat veel planten en dieren vroeger beginnen met bloeien of eieren leggen. Allerlei soorten gaan daardoor schuiven ten opzichte van elkaar en de ene schuift harder dan de andere. Trekvogels komen pas terug uit Afrika als de rupsenpiek al geweest is, waardoor ze hun jongen niet goed meer kunnen voeden. Mazzel voor de rupsen en vlinders, pech voor de bomen en gewassen die door die rupsen worden aangetast. En pech voor die trekvogels ook natuurlijk.

Ecologische structuur herstellen

Dat de klimaatsverandering nog wel even door zal gaan is bekend. Zelfs al gaat iedereen nu opeens het Kyoto-verdrag ondertekenen en naleven, wat uiterst onwaarschijnlijk is, dan ijlen de effecten nog tientallen jaren na. Om desastreuze effecten op de biodiversiteit in onze streken te voorkomen is het zaak dat natuurgebieden met elkaar worden verbonden tot een doorlopende structuur, waarlangs planten en dieren zich in noordelijke of zuidelijke richting kunnen bewegen. Het aloude idee van de Ecologische Hoofdstructuur moet volgens elke ecoloog die op het NECOV-congres maar aanwezig was, met kracht worden uitgevoerd. Dit om massaal uitsterven van soorten en het daarna optreden van plagen van insecten en andere akelige beestjes te voorkomen. Hun conclusie: planten en dieren kunnen best een stootje hebben als hun leefgebieden met elkaar verbonden zijn, maar dat zijn ze niet! ‘Voor veel dieren is de klimaatsverandering niet het probleem, maar de habitatfragmentatie’, aldus Marcel Visser van het Nederlands Instituut voor Oecologisch Onderzoek. ‘Ze kunnen geen geschikte gebieden opzoeken omdat ze er niet kunnen komen. Dan zijn ze er gewoon geweest.’

Opmars van de Bartonella

Het uitsterven van bepaalde soorten kunnen we dan misschien voorkomen, maar wat we níet kunnen voorkomen is de opmars van enge ziektes die door teken of muggen worden overgebracht en direct de mens bedreigen. Die warmteminnende diertjes hebben het uitstekend naar hun zin bij de huidige opwarming van de aarde. We praten dan over ziektes als Bartonella, Encephalitis, Lyme en Leishmaniasis. En opmars gaat razendsnel. Met lyme-ziekte besmette teken verspreidden zich via zoogdieren als reeën, bosmuizen, honden en katten in vijf jaar (1995-2000) over heel Nederland. Je kan er niet voor ingeënt worden en als je de symptomen niet snel genoeg ontdekt kan je er buitengewoon vervelend aan sterven. De ziekte Leishmaniasis is nu aangekomen aan de Europese Middellandse Zeekusten. Volgens Willem Takken van de universiteit van Wageningen kan deze lepra-achtige ziekte na een graadje temperatuurstijging razendsnel in Noord-Frankrijk zitten. Hij liet bijzonder akelige foto’s zien van slachtoffers, foto’s die bij het publiek het verlangen deed opkomen van emigratie naar Spitsbergen, (voorlopig nog) buiten het bereik van vorstgevoelige diertjes die nare ziekte overbrengen