Nieuws —

Sterk gedoseerd Amerikaans optimisme

Koos Iestra

Marc Treib opende donderdag 9 februari de Capita Selecta reeks Stupid Optimism. Erg optimistisch was Treibs lezing aan de Academie van Bouwkunst Amsterdam over de stand van zaken in de Amerikaanse Landschapsarchitectuur niet.

Marc Treib is vormgever, architect, docent en auteur van verschillende boeken over landschapsarchitectuur in Amerika. Het kostte hem moeite om de uitnodiging voor het houden van een optimistische lezing aan te nemen. Cynisme over de openbare ruimte is in Amerika algemeen, zij staat onder zware druk. Talent ontbreekt vrijwel geheel. Resultaten zijn eerder ondanks dan dankzij de vormgeving ervan aanvaardbaar.

In zijn lezing behandelde Treib de geschiedenis van de Amerikaanse tuin- en landschapsarchitectuur en constateerde dat de bloei van de discipline in het verleden lag. Maar niet vóór de tweede wereldoorlog! Central Parc en Golden Gate Parc hebben weliswaar de stedenbouwkundige betekenis van openbaar groen verduidelijkt maar de artistieke diepgang ervan was gering. De totstandkoming ervan was niet het gevolg van vernieuwing in de tuin- en landschapsarchitectuur.

Dit was na de tweede wereldoorlog wèl het geval. Als er dan een modernisme optreedt, waar namen als Church en Eckbo mee verbonden zijn, is dit vernieuwend en van een prettig ondogmatisch karakter. Het modernisme lift mee op het algemene optimisme van na de oorlog en het plukt de vruchten van een zich snel ontwikkelende industrie. Oorlogsveteranen die zich kosteloos konden laten omscholen en tegen lage rente konden lenen, vestigden zich in moderne villa's op vrije kavels in Californië. Er ontstaat een cultuur van outdoor living die inspiratie vindt in het landschap en in de vormentaal van Aalto en Kandinsky. Landschapsarchitecten werken samen met architecten, waarbij veel aandacht wordt besteed aan overgangen tussen gebouwen en buitenruimte. De reactie hierop zet in na Vietnam. Men ziet uit naar iets beters dan de alles in haar greep houdende commercie. Landart en Earthmovement zoeken nieuwe inspiratie en wortels in het landschap en de aarde. Een bij tijden vertwijfeld optimisme zet zich kritisch af tegen de hoofdstroom van de tijd.

De Donnell garden, in 1948 door Thomas Church ontworpen in Sonoma, California, is een goed voorbeeld van vernieuwende landschapsarchitectuur vlak na het einde van de oorlog. De tuin vindt zijn inspiratie in het uitgestrekte landschap rondom, en staat hier door lange zichtlijnen mee in verbinding. Voordat de plannen voor een zwembad en later een woonhuis werden ontwikkeld ging men er al picknicken om te genieten van de plek. De inrichting richt zich op de zon. De gebogen lijnen van het zwembassin zijn verwant aan de vormentaal van het 'organisch modernisme' van bij voorbeeld Alvar Aalto. Men leefde buiten tenzij het weer dit niet toeliet. De overgangen vanuit het huis naar de tuin zijn, door de dunne glazen wanden, bijna onmerkbaar. Het geheel is een eenheid, in een taal die harmonieert met de omgeving.

Een sprong naar onze eeuw laat zien dat de kritische instelling algemeen geworden is. Kritiek en optimisme verdragen elkaar maar moeilijk. Getuige ontwerpen van onder meer Martha Schwarz, blijft optimisme vanuit de landschapsarchitectuur echter mogelijk. Het is waarschijnlijk verbonden met het wezen van het vak. Positief is ook een transitie van private gebieden naar de publieke ruimte. Paradoxaal genoeg is de aandacht gekleurd door gevoelens van onveiligheid en betreffen de opdrachten vooral maatschappelijke en ecologische probleemgebieden – oude fabrieksterreinen, voormalige vliegvelden, vuilstortplaatsen. Landschapsarchitectuur in deze situatie vraagt om een zeer hoge taakopvatting en optimisme is daarbij onontbeerlijk.

Crissy Field is een oud legervliegveld bij San Fransisco, aan de baai niet ver van de Golden Gate bridge, dat in 1998 naar een ontwerp van Hargreaves Associates werd ingericht als nationaal parkgebied waarin duinen en getijdenmoerassen teruggebracht zijn. Een brede boulevard voert langs de baai en er zijn fietspaden, uitgestrekte grasvelden, boomgaarden en educatieve voorzieningen. In het feit dat dit soort gebieden beschikbaar komen als publieke ruimte ziet Treib een positieve kans. Dat het ontwerp echter niet tot een creatieve eenheid is gekomen maar in een aantal praktische oplossingen blijft steken matigt zijn optimisme. 'What it does is better than what it is.'

Dat dit niet tot vragen leidt bij zijn toehoorders aan de academie, geeft te denken. Weten we nog te weinig over landschapsarchitectuur in Amerika, zodat we de genoemde zaken niet naar onze situatie kunnen vertalen? Zijn we misschien al verder in de ontwikkeling of blijven we liever buiten deze specifiek Amerikaanse problemen? Heeft het cynisme in Nederland misschien minder hard toegeslagen? Dit zal in het vervolg van de lezingenreeks misschien blijken.