Nieuws —

Design Intelligence – Speaks & Co in Delft

Gideon Boie

In België hadden de uitspraken van Robert Somol tijdens het symposium Projective Landscape wellicht een kleine politieke aardverschuiving veroorzaakt. De conferentie vond helaas plaats in de T.U. Delft en dat bleek de ideale omgeving om probleemloos talloze kreten uit te kramen over de status van het ontwerp in een (vermeend) postkritisch, postideologisch, postpolitiek, posthistorisch, poststedelijk en postkapitalistisch tijdperk.

Het heetste standje van het symposium zat in de staart. Tijdens het plenaire debat op vrijdagnamiddag provoceerde Willem Jan Neutelings het projectieve karakter van de aanwezige debaters: wat moet hij doen als na de volgende Antwerpse gemeenteraadsverkiezingen blijkt dat een fascistisch burgemeester het door hem ontworpen Museum aan de Stroom komt inwijden? Neutelings ging zelfs nog een stap verder: wat als hij gevraagd wordt om een nieuw hoofdkantoor te bouwen voor deze fascistische partij, het Vlaams Belang? Terwijl alle verzamelde panelleden (zo’n twintigtal) ongemakkelijk aan hun glas wijn friemelden, bulderde een uitgelaten Robert Somol: “binnenhalen, die opdracht”. Om vervolgens te keer te gaan tegen Michael Hays: “Het kan me niet schelen wat jij denkt, jij doet jou ding, ik het mijne, en we maken alle twee plezier.” De complexloze houding van Somol is sprekend voor de gehele conferentie. Niets of niemand kon projectieve ontwerpers/theoretici als Robert Somol, Sarah Whiting en Michael Speaks  – en in hun kielzog Wouter van Stiphout, Kamiel Klaasse en vele andere – weerhouden van wat ze zichzelf als hun heilige opdracht toegedicht hebben: affirmeren én produceren.

Binnen de projectieve wereld is men het over één ding eens, samen met de splitsing ‘theorie vs. praktijk’ moet ‘kritiek’ uit het woordenboek van de ontwerper geschrapt worden. Terwijl Somol  – hij had het over lifestyle-architecture waarin the figure of cool geldt (behalve het ‘beschilderen van een vaas gaf hij geen voorbeelden) en Whiting  – zij sprak over gebouwen als compound totalities en verwees naar haar eigen oeuvre – vooral zichzelf goed vonden, was het Speaks die zich ontpopte tot de profeet van de projectieve praktijk. Hij schetste een historische ontwikkeling van filosofie (binnen het modernisme) via theorie (postmodernisme) naar intelligence (in het huidige supermodernisme). De wereld van het ontwerp moet dit tijdsgewricht zo vlug mogelijk onder ogen zien en overgaan tot een speculatief, projectief denken. Speaks sprak hierbij over actionable facts en plausible truths (“misschien niet de Waarheid, maar wel nuttig”), strategieën als scenario-writing en proto-typing en verwees naar Nederlandse voorbeelden als Maxwans ‘Logica’ en MVRDVs recente ‘KM3 – Excursions on capacity’.

Het mag duidelijk zijn, binnen het projectieve ontwerpmilieu is er geen plaats voor theorie als een zelfkritische reflectie op de eigen ontwerppraktijk. In de vorm van design intelligence verschrompelt theorie tot een soort gegevensbeheer waarin allerhande informatie verzameld wordt dat direct relevant is voor de praktijk. Opvallend was dat gerenommeerde architectuurtheoretici als Michael Hays en Arie Graafland nauwelijks een weerwoord hadden op deze triomfantelijke aankondiging van de ‘dood van de criticus’ en zich verloren in eindeloze nuances. Theoretici die het projectieve discours op een meer fundamenteel niveau ter discussie stelden, werden dan weer terug gefloten als ‘buiten de tijd’.

Bij deze laatste hoorde Roemer van Toorn en zijn pleidooi voor meer politiek gerichte ‘projecties’. Hij zag met name in het werk van Whiting een gevaar van een consensus-architectuur waarin conflicten uitgevlakt worden in plaats van deze op strategische wijze uit te spelen. Het zoeken naar dissensus zag Van Toorn gebeuren in OMA’s Casa da Musica. Door een wand te bekleden met Delfts blauw wordt dit gebouw “een ding dat aanzet tot denken.” Terwijl deze opvatting door Somol gezien werd als ‘iets wat we toch allemaal doen’, wuifde Speaks het weg als oude koek die hij tien jaar geleden reeds opgevangen had. Kortom, volgens de Amerikaanse delegatie was Van Toorn een typisch adept van het ‘Oude Europa’ en had hij niet ingezien dat we inmiddels in een postpolitiek tijdperk gearriveerd zijn.

Roemer van Toorn, Christine Boyer

Reinhold Martin kreeg een zelfde behandeling toen hij het vermeende postideologische karakter van de projectieve ontwerppraktijk ter discussie durfde te stellen. Hij haalde ongemeen scherp uit naar Kamiel Klaasse die in de voorstelling van het werk van NL-Architects een overzicht gaf van wat een ontwerper zoal kan doen vandaag de dag. Dit bleek een onuitputtend panorama op te leveren: een ontwerper kan de toekomst voorspellen, alternatieven aanbieden, de holte bewonen, opruimen, het publieke herbevestigen, flippen, de gebruiksaanwijzing herschrijven, de grenzen exploreren, de regels ombuigen, en nog veel meer. “Het idee”, zo reageerde Martin hierop, “dat de komst van het kapitalisme een onmetelijk veld van mogelijkheden opent waarin de ontwerper vrijelijk kan experimenteren, is ideologie bij uitstek.” Het bleek dat vooral Speaks zich aangesproken voelde door deze kritiek, toen hij het hartelijk weglachte: “De markt is iets wat gebeurt, en als iets gebeurt dan is het realiteit, geen ideologie”.

Het was uiteindelijk alleen Christine Boyer die erin slaagde om een wig te drijven in het zelfvoldane karakter van het projectieve ontwerpdiscours. Dit deed ze door een – naar projectieve maatstaven – volledig politieke incorrecte houding aan te nemen en te doen wat niemand nog langer voor mogelijk achtte: het natrekken van de vooronderstellingen van het projectieve discours. Boyer gaf een gedetailleerde uiteenzetting over de manier waarop de stad in de ‘operationele plannen’ van de Amerikaanse oorlogsmachine een centraal gegeven is binnen een ingewikkeld spel van manipulatie, controle en dominantie. Cynisch was het om te zien hoe het trio Somol, Whiting en Speaks de toespraak van Boyer aangrepen als bevestiging van de door henzelf voorspelde ontwikkeling van theorie naar ‘design intelligence’. Wat ze hierbij gemakshalve vergaten, was dat Boyer deze ‘militarisering van het stedelijke denken’ juist situeerde tegen de achtergrond van wat Boyer – met Paul Virilio – aanduidde als een ‘bewustzijnsramp’ binnen de ontwerpwereld: “Men viert ‘wat is’ en niet ‘wat zou kunnen zijn’.” Of het nu gaat om generische processen of krimpende steden, het wordt allemaal beschouwd als een natuurlijke ontwikkeling. Boyer zag dit als een bewijs dat men zelfs ten aanzien van het ‘wat is’ blind blijft voor de processen die de stad laten zijn wat ze is. Het poëtische beeld van een plankton-stad waarmee Koolhaas de situatie van New Orleans onder woorden bracht, kan niet verbergen dat ze het macabere resultaat is van verwerpelijke maatschappelijke processen zoals raciale en klasse segregatie, de vergaande terugtrekking van de publieke sector binnen de ruimtelijke ordening en een desastreuze ecologische geopolitiek. Kortom, Boyer leverde het bewijs dat er vandaag meer dan ooit nood is aan goede ouwe ontwerpkritiek – in het bijzonder binnen een ontwerpmilieu dat denkt als van nature kritisch te zijn.