Opinie —

Het potjeslatijn van de neo-traditionalisten

Dirk van den Heuvel

Neo-traditionalistische architectuur blijft de gemoederen bezig houden. Dirk van den Heuvel bezocht onlangs Haverleij (Den Bosch) en Floriande (Hoofddorp). Het stemde hem bepaald niet optimistisch.

Floriande, eiland 2

‘Oud en vertrouwd’ zo wordt de architectuur van de ‘neo-traditionalisten’ gekarakteriseerd, onder andere door Bernard Hulsman. Hij is een fan van deze architectuurtrend en schreef er lovend over op zijn vaste stek in het NRC Handelsblad, maar ook recentelijk in B-nieuws. Volgens Hulsman is neo-traditionalistische architectuur een uitstekend antwoord op de actuele behoefte aan ‘beslotenheid’. Ook anderen hebben op verschillende plekken een lans gebroken voor de trend, waarbij een tamelijk oude polemiek dunnetjes en weinig genuanceerd wordt overgedaan. Het modernisme is de grote vijand, en als je de apologeten van het neo-traditionalisme moet geloven is het modernisme verantwoordelijk voor een verlies aan plek en identiteit met als resultaat onmenselijke wijken en steden.

Als toonbeeld van een eigentijds antwoord op de vermeende onmenselijkheid van modernisten geldt het project Haverleij nabij Den Bosch. Nu kom ik zelf uit Den Bosch, en ik was dan ook bepaald nieuwsgierig naar dit ‘experimentele’ plan van Sjoerd Soeters. Het idee om de woonbebouwing te concentreren in ‘kastelen’ om zo het landschap open te houden sprak me erg aan. Echter, bij bezoek aan de nieuwe wijk werd ik overspoeld door diepe teleurstelling en direct daarna gevolgd door een zware aanval van nostalgie. Hier was werkelijk niets ‘oud en vertrouwd’ meer! De vroegere polders waren omgetoverd tot het meest surrealistische landschap dat ik ooit had aanschouwd. Lange fietstochten maakte ik hier, over de dijk van Den Bosch west naar Heusden. Een geweldig weidse polder ontrolde dan voor je ogen met fantastische wolkenluchten, en wat was het nu? De hele boel was omgeschoffeld tot een golfcourse; een soort reuzenmol had huisgehouden in het landschap van mijn jeugdherinneringen en deze werkelijk totaal vernietigd. Hier en daar waren Dali-achtige bouwsels rondgestrooid alsof alle onderdrukte Eros en Thanatos van de betere middenklasse eindelijk een uitweg had gevonden uit de kamer van de psychiater – zo van de bank, hup in mijn polder van openheid en vrijheid

Ik begrijp dan ook niets van de omarming van deze nieuwe trend. Volgens Soeters worden we met teveel nieuwigheden gebombardeerd – maar in ’s hemelsnaam – wat is dit voor nieuwigheid? Niets is zo vervreemdend, en voelt zo bedreigend aan als deze neo-traditionalistische bezweringen van het moderne leven. Er wordt beweerd dat het neo-traditionalisme een oplossing biedt voor behoefte aan ‘plek’ en ‘identiteit’. Echter, doordat dit medicijn inmiddels overal in Nederland wordt toegepast ontstaat de curieuze bijwerking dat quasi-Brabantse buurtjes in de Haarlemmermeer en Lelystad verrijzen.

Een bezoek aan de wijk Floriande in Hoofddorp is uitermate instructief wat dit probleem van ‘plek’ en ‘identiteit’ aangaat. Een reeks van buurtjes, keurig achter elkaar verkaveld heeft elk een eigen stilistische uitwerking gekregen – programmatisch is het allemaal hetzelfde – wonen, wonen en nog eens wonen. Met de auto tuf je zo van een vrije-kavelbuurt, naar een ‘modernistische’ buurt, of een buurt waar alles in leisteen is, of een degelijke V&D buurt, of inderdaad een Brabants dorp. De stad die daar gebouwd wordt is een zapstad, al rijdend klik je van SBS naar Nova, of toch maar RTL – er is werkelijk niets authentiek en zeker is het niet fijn ‘besloten’, of oud en vertrouwd – het voelt vooral benauwd en benepen.

Het meest lachwekkende, en tegelijk ook treurige, is dat de neo-traditionalisten zich beroepen op de geschiedenis. Daarbij wordt voor het gemak maar even vergeten dat de moderne architectuur en stedenbouw inmiddels ook deel van de geschiedenis zijn en voor hele generaties ‘oud en vertrouwd’. Historicus Thomas von der Dunk gaf onlangs over de valsheid van dit beroep op de geschiedenis een prachtige lezing onder de titel ‘de maakbaarheid van het verleden’. Hij liet zien hoe met name in de negentiende eeuw de nationale geschiedenis en het monumentale erfgoed op vakkundige wijze op hun kop werden gezet. Hollandse steden werden ‘middeleeuwser’ dan ze ooit waren geweest en menig landgoed kreeg een flinke opknapbeurt om een verleden te laten zien dat paste bij maatschappelijke stand of klasse. Pierre Cuypers was de onbetwiste meester van deze praktijk en je moet hem nageven dat hij met projecten als de reconstructie van Kasteel de Haar (Utrecht) en de renovatie van de Munsterkerk in Roermond goed werk heeft geleverd, om maar te zwijgen van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Helaas moet je constateren dat de huidige neo-traditionalisten de kennis en kunde van Cuypers geheel ontberen. Het neo-traditionalisme is vooral potjeslatijn, een vorm van kwakzalverij met een bijpassende verzameling bezweringsformules voor de getourmenteerde geest van burgers met een tophypotheek, een grote auto en een te snelle internetverbinding.