Recensie —

Palladio’s children

Okke-Jan Boom

Het meest recente boek van John Habraken, volgens eigen zeggen een uit de hand gelopen inleiding van een toekomstige publicatie, geeft weer nieuw elan aan het gedachtegoed dat hij reeds in de jaren ’60 formuleerde.

Architect John Habraken (1928) is de mening toegedaan dat niet alleen alle architecten nakomelingen zijn van Andrea Palladio (Italiaanse renaissance architect, 1508 – 1580) in doen en laten, maar ook dat het tijdstip voor bezinning is aangebroken. In zeven essay's komt hij tot negen credo's.

Het eerste essay maakt duidelijk waarom Habraken Palladio als geestesvader van de moderne bouwkunst beschouwt. Geheel origineel is deze gedachte niet, Rudolf Wittkower betitelde in 1949 de grote bouwheren van de renaissance al als grondleggers van de moderne architectuur, maar de insteek die Habraken hiervoor gebruikt is dat wel. “Niet alleen zijn werk trekt ons aan. Palladio, als een collega, overleefde de pogingen van het Modernisme om het vakgebied schoon te vegen. We volgen niet meer zijn klassieke perceptie, maar we dragen hem nog steeds in ons hart. We herkennen in Palladio’s werk een bekende attitude naar het maken van architectuur, één die wij met hem delen. We zien onszelf vooral op de manier zoals hij zichzelf zag.”

Niet Palladio’s gebouwde oeuvre is de aanleiding, maar zijn publicaties en de manier waarop hij zichzelf en zijn werk presenteert. Zij vormen het beginsel van een nieuwe era, een tijdperk dat nu een hoogtepunt beleeft, aldus Habraken. Elke gerenommeerde architect publiceert op geheel Palladiaanse wijze zijn werk. Hoewel alles zeer zorgvuldig is overwogen, vertellen de gepresenteerde beelden, losgetrokken uit de context, een ander verhaal, namelijk die van het object. An sich levert dit nog geen problemen op, maar als architecten over de hele wereld, zonder zich van de context vergewist te hebben, opgedane kennis uit die publicaties in de praktijk gaan toepassen ontstaan de eerste problemen.

Een ander aspect dat wij als erfgenamen van Palladio meekregen en dat zijn oorsprong zelfs vindt in het werk van Leon Battista Alberti (die andere grote Italiaanse rennaissance architect 1404 – 1476), is de verschuiving van het hedendaagse naar het individualistische. De architect maakte vroeger alleen de bijzondere gebouwen: kerk, stadhuis, paleis, etc. Hiervoor gebruikte hij een vormentaal die op dat moment gangbaar was en die iedereen begreep. Zolang het alledaagse en het bijzondere nog in balans waren ontstond er geen conflict, maar in navolging van Palladio wordt in elk project een overtreffende trede gezocht. Elk project moet een aanvulling zijn op het eigen oeuvre. Zodoende ontstaat een losgeslagen brei waarin iedere relatie met het alledaagse ontbreekt. Om de structuur te hervinden is volgens Habraken geduchte kennis nodig van de omgeving, van het ‘veld’, waarin we werken. Het ‘veld’ is dynamisch, de complexiteit ervan is niet in één keer te omvatten. In zijn boek voert hij vele voorbeelden aan om de aanwezigheid ervan aan te tonen. “Om deze ommezwaai te begrijpen is kennis van het histografische en fundamentele van het ‘veld’ onontbeerlijk. Daarbij is observatie en doorgronding van de gemeenschappelijke factoren en zijn verandering over tijd belangrijker dan documentatie van het unieke, ingenieuze en orginele. Het buitengewone kan alleen ten volle begrepen worden binnen de context van het gewone.”

Palladio’s childeren is een zeer overtuigend betoog met sprekende argumenten dat zijn oorsprong vindt in een herschreven moraal van de ideologie die Habraken al in 1961 heeft beschreven in het boek ‘De dragers en de mensen’. Daarin introduceerde hij het concept van de scheiding van drager en inbouw, om het individu de gelegenheid te bieden om in een massaal vervaardigde woning een eigen woondomein te maken. De drager vertegenwoordigt de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid in de productie van de massawoning, terwijl de inbouw voor individuele zeggenschap staat, opdat variatie en individualiteit in miljoenen woningen kan worden gerealiseerd. Habraken geeft hieraan in zijn nieuwste publicatie een verrassende wending door het toe te passen op een groter schaalniveau. De drager heet het ‘veld’, waarvan de structuur is gelegd in de historische, ambachtelijk en culturele onderlagen. “In de hedendaagse praktijk dompelen architecten zich weer onder in het veld. Wij creeëren het eigen corpus van de alledaagse omgeving. We ontwerpen de plaatsen voor bestuur, werk, geloof, studie, genezing, commercie, spelen en leven. Wat we maken maakt deel uit van een levend organisme dat veel groter is dan iets ooit door de mensen vervaardigd. Het is dynamisch, vibrerend en veranderlijk.”

Naast de aandacht die architecten voor het ’veld’ als context moeten hebben, is Habraken de mening toegedaan dat architecten ook hun bureau anders zullen moeten gaan inrichten. Hier is de tweede betekenis van het woord field belangrijk: namelijk vakgebied. Architectuur van het ‘veld’ vraagt volgens hem een strikt hiërarchische werkwijze, waarbij niemand buiten zijn eigen takenpakket actie onderneemt en iedereen onderdeel is van een groter geheel. Hij giet het in een liberaal jasje door te zeggen dat iedereen in het proces zijn eigen specialiteit heeft en de kans moet krijgen zijn specialisme in te brengen. Zolang iedereen bij zijn eigen leest blijft zal het resultaat optimaal zijn. Van onmisbaar belang  is het besef dat individualiteit niet het hoogst nastreefbare moet zijn. De gevolgen hiervan zijn overal zichtbaar, niet alleen in Nederland. Hij besluit met negen credo’s welke nagestreefd dienen te worden naar een architectuur van het ‘veld’: “Do what the fields need

Negen credo’s: Towards an architecture of the field

1. Study the field.

2. The field has continuity.

3. No one builds alone.

4. Be hospitable to those after you.

5. Cooperate.

6. Avoid style.

7. Choose method.

8. Forget self-expression.

9. Do what the field needs.