Nieuws —

Sonsbeekpaviljoen Van Eyck herbouwd

Piet Vollaard

Onder grote publieke belangstelling is gisteren het herbouwde Sonsbeekpaviljoen van Aldo Van Eyck geopend. De beeldentuin van het Kröller-Müller Museum is daarmee een fascinerende ruimtelijke constructie rijker geworden.

Het Sonsbeekpaviljoen – ontworpen als tijdelijk onderkomen voor een reeks kleinere beelden tijdens de Sonsbeekexpositie van 1966 – is slechts een zomer lang te zien geweest. Als ontwerp is het daarna in de vorm van een handvol foto’s, een plattegrondtekening, een maquettefoto en een reeks schetsen een eigen leven gaan leiden.  Dit sleutelproject in het toch al niet uitgebreide gebouwde oeuvre van Van Eyck kreeg hierdoor de status van ‘papieren architectuur’; bekend en besproken vanwege het theoretische conceptuele standpunt dat ermee wordt ingenomen, maar niet meer als reële ruimtelijke constructie te ervaren.

Alleen al om die reden, om de theorie van het ‘papieren plan’ dat in zoveel architectuuroverzichten is opgenomen opnieuw aan de werkelijkheid te kunnen toetsen, is het mooi dat het paviljoen nu herbouwd is. Het paviljoen is neergedaald uit de sferen van theorie en concept en is weer met de voeten op vaste grond komen staan. Is weer be- en navoelbaar geworden en heeft zijn oorspronkelijke functie – het onderdak brengen van een aantal kleinere beelden – terug.

De toets aan de realiteit was zonder meer verrassend. De werkelijkheid overtreft wat mij betreft het beeld dat ik door de jaren heen van het ontwerp had gekregen. De theorie: dat het paviljoen een voorbeeld is van Van Eycks zoektocht naar labyrintische helderheid, naar een alternatief voor het al te gemakkelijke configuratieve structuralisme, naar het verzoenen van tegendelen (in dit geval van parallelle wanden met ronde vormen), naar het gebouw als stad, kortom de hele Van Eyckiaanse santenkraam, het is allemaal waar, het klopt nog ook, maar je vergeet het onmiddellijk als je het paviljoen in werkelijkheid ziet en ervaart.

Allereerst wordt direct duidelijk dat het paviljoen doet wat het moet doen: onderdak bieden aan beelden. Hoe sterk en aanwezig het ook is als autonoom ontwerp, als je er doorheen loopt zijn het toch de beelden die in en om het paviljoen een plaats hebben gekregen die de aandacht naar zich toe trekken. Of beter gezegd, de aandacht schalkelt telkens heen en weer tussen de inderdaad complexe, labyrintische architectonische ruimte en de beelden die in die ruimte staan. Het is precies die ‘tussenruimte’ tussen architectuur en de kunst die het onderdak biedt wel valt uit te leggen, waarover naar hartelust valt te theoretiseren, maar die alleen in werkelijkheid te ervaren is.

Een belangrijk gegeven in het ontwerp en in Van Eycks totale oeuvre is reciprociteit ofwel het tweelingfenomeen: de wederkerige, gelijktijdige verzoening van tegendelen. Dat de verhouding tussen parallellen en cirkels, tussen vernauwing en expansie in het ontwerp voor het Sonsbeekpaviljoen laat zien wat van Eyck bedoelde met die toch lastig uit te leggen reciprociteit, wordt bij een  bezoek eveneens zo helder als glas. Het contrast tussen de binnenwereld van overlappende cirkels met diagonale zichtlijnen en de strak geordende parallelle wanden is op elke plek in het paviljoen navoelbaar. Eens te meer maakt een bezoek aan het paviljoen daarmee duidelijk dat ‘papieren architectuur’ nooit een substituut kan zijn voor de gebouwde werkelijkheid. Laat staan dat het idee in zijn zuivere ‘papieren’ vorm een superieur soort architectuur zou zijn, zoals sommigen wel eens beweren. Bij een goed ontwerp verslaat de gebouwde werkelijkheid de theorie op alle fronten.

Tijdens zijn inleiding refereerde Francis Strauven overigens nog aan een ander thema in het werk van Van Eyck dat in het paviljoen herkenbaar zou zijn; de min of meer fractale vormrelatie tussen deel en geheel, het gebouw als stad, de stad als gebouw. Over dit nogal discutabele onderdeel van Van Eycks discours merkte Christopher Alexander – toen Van Eyck het illustreerde met de boom-bladrelatie (een boom is als een blad, een blad is als een boom) –  al op dat een blad desondanks nog geen boom is (en een gebouw dus geen stad). Volgens Strauven zouden de parallelle wanden van het paviljoen werken als stegen en straatjes en de cirkels als pleinen in de stad. Ja, dat zou je aan de hand van de plattegrond kunnen zeggen, hoewel het dan wel een nogal platte vormrelatie is. De realiteit is dat het ‘stad-gevoel’ echter nauwelijks aanwezig is. Voor Van Eyck zelf mag die stad-gebouw wederkerigheid belangrijk zijn geweest in zijn denken over het ontwerp, het paviljoen zelf is toch vooral wat het is: een complexe, goed doorgewerkte architectonische ruimte en geen stad. Het Burgerweeshuis is dan een veel overtuigender voorbeeld van een ‘stad’-gebouw.

De reconstructie (onder leiding van Hannie van Eyck en Abel Blom) is een getrouwe. Alleen het dak is afwijkend. Oorspronkelijk was dit afgedekt met  een simpele constructie van stalen liggertjes en met lichtdoorlatend doek (of was het nu toch kunststof? De aanwezige bezoekers van destijds waren het daar niet over eens). Het huidige paviljoen heeft een vergelijkbare stalen constructie (waarin in dit geval een ingenieus afwateringssysteem is verwerkt), maar het dak is afgedekt met volledig doorzichtige, halve cilinders van kunststof . Daarmee is toch een wezenlijk ander soort ruimte gemaakt dan de oorspronkelijke. Het paviljoen is nu  naar boven veel opener dan de meer gesloten ruimte van toen. Dat dak was wel lichtdoorlatend, maar uitdrukkelijk niet transparant. Waarom deze wijziging is doorgevoerd is niet duidelijk.

Het oorspronkelijke paviljoen had door het gebruik van spotgoedkope betonelementen, simpele stalen liggers en doek bovendien een prettig informeel, haast arte povera-achtig karakter. Het huidige dak heeft nu toch iets hightecherigs en is daardoor te nadrukkelijk aanwezig. Daar komt nog bij dat de betonstenen er op dit moment ook nog clean en te netjes uitzien. Gelukkig zullen die in de bosrijke omgeving waarschijnlijk snel verweren. Het was dan ook het dak waar de aanwezige bezoekers en collega’s van toen het meest op mopperden. Er moet bij alle feestelijke lof natuurlijk ook wat te klagen zijn. Het mocht de pret en het plezier in dit teruggevonden meesterwerkje verder niet drukken.

De beeldentuin van het museum was door de aanwezigheid van het Rietveldpaviljoen al een vast punt op veel architectuuurreizen, daar is nu een tweede trekker bij gekomen.