Recensie —

Gegijzeld door de werkelijkheid

Dirk van den Heuvel

Het Jaarboek Architectuur in Nederland is inmiddels een instituut waar niemand om heen kan. Om de zoveel jaar wordt de succesvolle formule kritisch herzien door een nieuwe redactie. Zo ook dit jaar. Het redactieteam van de voorgaande jaren is vervangen door een geheel nieuwe club bestaande uit Daan Bakker, Allard Jolles, Michelle Provoost en Cor Wagenaar (één architect en drie historici).

Hoewel de reeks van jaarboeken een grote continuïteit kent, waarin ook deze vernieuwde editie past, vond dit viertal het toch nodig om in de openingstekst af te rekenen met de vorige redactie bestaande uit Anne Hoogwoning, Roemer van Toorn, Piet Vollaard en Arthur Wortmann. Bovendien wordt met veel bombarie een veronderstelde nieuwe tijd aangekondigd, met een even nieuw Nederland en een ‘nieuwe mens’.

Het afrekenen met de voorgaande periode betekent vooral een afscheid van de beschouwende essays in het jaarboek. De huidige redactie beperkt zich tot een gezamenlijk geschreven ‘reisverslag’ van lange autoritten door Nederland. Onder de titel ‘Groot geluk, klein geluk’ dient dit verslag als appetizer voor het hoofdmenu:  de geselecteerde projecten. De vraag waarom het blijkbaar niet langer nodig is om kritische beschouwingen op te nemen, wordt niet beantwoord. In de eerste alinea’s van het verslag wordt wel meteen duidelijk dat deze redactie zich überhaupt niet wil wagen aan ‘theorie’ of andere vormen van bespiegeling. ‘Architectuurtheorie’ zou niets te maken hebben met wat er aan de hand is in Nederland, omdat er op straat toch ‘niets van te zien is’. De redactie houdt van ‘hard rijden’ en ze kijkt alleen maar in de achteruitkijkspiegel om het ‘oude’ Nederland met een vaartje achter de horizon te zien verdwijnen. Volgens de redactie is het niet aan hen, maar ‘aan anderen om de achtergronden te schetsen’ van de ingrijpende ontwikkelingen waaraan ons land nu bloot zou staan. De gesuggereerde invloed hiervan op de recente architectuurproductie wordt evenmin door het viertal toegelicht.

Met deze houding ondermijnt de redactie niets minder dan het bestaansrecht van het jaarboek. Want waar hebben we anders een jaarboek voor? Een beetje scherpe analyse mag je toch wel verwachten, of enige poging tot nieuwe inzichten? Maar volgens de redactie zit niemand te wachten op zwaarmoedige kritieken geschreven ‘met trillende onderlip en betraande ogen’. De nieuwe tijd vraagt om ongebreideld optimisme, want voor wie het wil zien, het ‘geluk’ ligt  op straat voor het oprapen.

Met deze roze bril op scheurde de redactie een weekje door Nederland. Door de voorruit van hun auto zag de redactie een nieuw land verschijnen, een land dat ‘één grote geluksfabriek is geworden’, een ‘perfecte, want op ieders individuele wensen afgestemde habitat voor een nieuwe mens’. Dat is mogelijk geworden omdat de ‘markt’ nu heerst in het post-paarse Nederland en de ‘planeconomie’ waarin overheid, stedenbouwers en architecten zouden bepalen wat goed is voor de mensen, is afgeschaft. Volgens de redactie zijn ‘zowel het illusoire, als het decormatige, fundamentele waarden van de nieuwe tijd’ en de redactie vindt dat eigenlijk helemaal niet zo erg, sterker nog, ze vindt daar eigenlijk helemaal niets van. Af en toe sijpelt er wat twijfel door het verslag heen – alsof iemand vanaf de achterbank zo nu en dan wat tegenwerpingen maakt – maar het slot is ondubbelzinnig. ‘Het geluk kan niet op in het nieuwe Nederland’, en het past critici blijkbaar niet om daar een oordeel of mening over te hebben.

Twee hoofdvragen zijn hier op hun plaats: hoe onschuldig en oprecht is deze onkritische pose die de redactie aanneemt, en hoe nieuw is dit nieuwe Nederland eigenlijk?

De geforceerd optimistische toonzetting doet direct denken aan de propaganda van het ‘projective’ en het ‘post-theoretische’, zoals uitgedragen door Bob Somol en Michael Speaks. Hierover organiseerde Stylos onlangs het congres Projective Landscape. Een paradox die bij de ‘projectieven’ gesignaleerd kon worden, wordt ook bij deze jaarboekredactie zichtbaar: intellectuelen die een anti-intellectuele positie innemen. Het problematische van deze ‘post-theorie’-gedachte is dat men geen kleur meer bekent, of enige positie wil innemen. Men laat zich als het ware gijzelen door de ‘werkelijkheid’ als iets onvermijdelijks te beschouwen. Het gijzelaarssyndroom maakt dat men dit onvermijdelijke zonder voorbehoud omarmt en zich er volkomen mee gaat identificeren. Een interessante vraag is waarom juist historici deze ‘post-theorie’ uitgedragen, het komt namelijk neer op een vorm van zelfverloochening. Ook de historici van de jaarboekredactie doen naar eigen zeggen niets liever dan uit de bibliotheek hollen richting auto om de rauwe werkelijkheid van de straat op te snuiven.

Eenmaal op straat en in de auto ziet de redactie het ‘nieuwe Nederland’ verschijnen, een nieuw bestel dat zou worden gekenmerkt door ‘… het verdwijnen van elke samenhang tussen de dagelijkse ritmes van de gemiddelde bewoner en de ruimtelijke patronen binnen de stad en tussen de steden en de regio eromheen.’ Dit verdwijnen van samenhang gaat gepaard met het ‘verzelfstandigen van verkeersstromen’. Die worden ‘op zichzelf staande netwerken’, wat een bewijs zou zijn voor ‘een overwinnning van de markt, die grenzeloos en globaal wil zijn en zich vrijmaakt van lokale condities.’

Dit zijn momenten waarop je de redactie het liefst direct weer uit de auto wil sleuren linea recta terug naar de bibliotheek om eens een goed boek te lezen, bijvoorbeeld van Saskia Sassen of Arnold Reijndorp. Misschien breekt dan alsnog het inzicht door dat naast het verdwijnen van samenhang, ook nieuwe vormen van samenhang worden geconstrueerd, inclusief nieuwe hiërarchieën en nieuwe vormen van centraliteit en lokaliteit. Juist daarover zou je in een jaarboek meer willen lezen. Helaas orakelt de redactie liever op associatieve wijze verder.

Behalve dat dergelijke passages het erg moeilijk maken om de auteurs serieus te nemen, vraag je je ook af waarom men denkt dat het ‘nieuw’ is. Het klinkt allemaal als een verre echo uit de jaren negentig, gemengd met de Fortuyn-revolte: een flinke dosis markt, wat infrastructuur, een schep populisme, en voilà, we hebben een ‘tijdsbeeld’. Je zou willen dat de redactie een stap verder durfde te zetten in plaats van dit soort cliché’s te debiteren. Over wat voor markt hebben we het nu precies als we het over city branding en vastgoedontwikkeling hebben? Is er in Nederland überhaupt wel een zuivere marktsituatie zoals de redactie suggereert? Welke spelers zijn er precies? En met wie zit de architect dan aan tafel? Wat en wie bepalen nu de handelingsruimte van de architect? Heeft de architect daar nog invloed op? Welke autoriteit en welke kennis kan en mag de architect inbrengen, en welke wordt hem of haar ontnomen? Het zijn allemaal vragen waar de redactie voor wegloopt in plaats van deze onder de loep te nemen.

De geringe houdbaarheid van de vooronderstellingen van de redactie worden door de eigen projectenselectie nog eens onderstreept. Terwijl het reisverslag bol staat van een lofzang op de ‘markt’, is van de ‘markt’ nauwelijks iets terug te vinden bij de gedocumenteerde plannen. Van de 32 opgenomen items zijn er 24 door een opdrachtgever uit de publieke hoek gebouwd, slechts vier projecten zijn door private ontwikkelaars gerealiseerd. Ook van het door de redactie bezongen populisme en de gesignaleerde retro-trend is maar bar weinig terug te zien. De twee die wel zijn opgenomen lijken overigens de key projects van deze jaarboekselectie: het centrum van Ypenburg door Rapp + Rapp, en Kasteel Leliënhuyze van Soeters Van Eldonk Ponec, beide inderdaad door ontwikkelaars gebouwd.

Beide projecten zijn niet belangrijk omdat ze een ‘nieuw’ moment vertegenwoordigen – veeleer continueren ze de lijn ingezet met de ontwikkeling van Kattenbroek en de Amsterdamse Oostelijke Haveneilanden. Ze zijn belangrijk omdat ze meer dan de andere projecten de tegenstrijdigheden waaronder architecten moeten bouwen weten te absorberen in een krachtige en eigenzinnige architectuur. Kritiek op deze projecten is natuurlijk zeer wel mogelijk. Ook hier geldt dat deze twee projecten, meer dan de andere, laten zien hoe moeilijk het is om de architectuur en het architectonische project als een collectieve onderneming te zien die een antwoord kan geven op de fragmentering van de stad. De twee projecten vertegenwoordigen de uitersten binnen het huidige spectrum. Terwijl Chistian Rapp kiest voor een strenge, anonieme architectuur, leeft Soeters zich vrolijk uit in een individuele kasteelfantasie.

Het is maar een van de vele reële kwesties die op straat voor het oprapen liggen, maar de jaarboekredactie kijkt er liever overheen. Wellicht helpt het om de volgende keer iets minder hard te rijden.