Nieuws —

Hoe echt is de stad? Vijf lagen van historische maakbaarheid

Sophie van Ginneken

Hoe echt is de historische stad? Het nostalgisch verlangen naar bouwsels die de tand des tijds uitademen en ons een bevredigend gevoel van tijdsbesef opleveren, is niet iets van de laatste tijd. Historicus Thomas von der Dunk gaf op 23 maart de tweejaarlijkse Kattenbroeklezing in Amersfoort met de titel ‘De maakbaarheid van het verleden’.

Als het om de stad gaat is ‘oud’ al jaren in, aldus Thomas von der Dunk. Het feit dat de afgelopen anderhalve eeuw steden meer zijn uitgedijd dan in alle jaren daarvoor, maakt de behoefte aan ‘oud’ echter wel heviger. Inwisselbaarheid van uniforme nieuwbouwwijken stoot af – identiteit wordt gezocht in iets herkenbaars. Dit leidt maar al te vaak tot fake oplossingen omwille van een historisch ‘besef’, maar ook omwille van het imago van de stad, het trekken van toeristen en daarmee het spekken van de gemeentekas. Echtheid wordt daarmee ingeruild voor imago: “authenticiteit is niks, imago is alles”.

Zijn vurige betoog richtte zich met name op restauratie. ‘Elke restauratie betekent vernieuwing, en daarmee een vermindering van de authenticiteit.’ Maar waar ligt de grens? Ook de discussie over nut en bedrog van restauratie is niet nieuw, maar Von der Dunk drukt ons met de neus op de feiten: we leven al heel lang in een kunstmatige wereld. De verleiding tot vervalsing van de geschiedenis heeft de mensheid altijd al moeilijk weten te weerstaan. In het omgaan met historie in de gebouwde omgeving onderscheidt hij ‘vijf lagen van historische maakbaarheid’.

De eerste laag is volgens Von der Dunk het met terugwerkende kracht verfraaien van het verleden door iets opnieuw op te bouwen wat allang verdwenen is. In dat geval wordt een gok gewaagd naar hoe de werkelijke situatie er zal hebben uitgezien. De architect is dan al snel aangewezen op fantasie en de architectuur krijgt onvermijdelijk iets willekeurigs. Als huidig voorbeeld geeft hij de herbouw van de donjon op het Valkhof in Nijmegen. Als de plannen doorgaan wordt daar een toren herbouwd die is losgerukt uit de context. Een volledige herbouw van het Valkhof is namelijk niet rendabel. Door alleen de donjon te laten herrijzen wordt een verleden gepresenteerd dat nooit heeft bestaan. Een willekeurig stuk geschiedenis wordt uitgevonden uit historische sentimentaliteit – in plaats van besef.

Als tweede laag noemt Von der Dunk de wederopbouw van verwoeste steden: een aanmerkelijk authentieker vorm van historische maakbaarheid. Een voorbeeld is de wederopbouw van de hoogbarokke Frauenkirche in Dresden, een halve eeuw na de verwoesting. De kerk vervulde een dusdanige cruciale rol in het stadsbeeld, dat dit een oprechte keuze is geweest, zegt Von der Dunk. Bovendien kreeg de kerk dezelfde functie terug en is die gerealiseerd volgens de oorspronkelijke bouwtekeningen. Geen verwijzing of verfraaiing van het verleden, maar een eerlijk (want functioneel) herstel van de stedelijke situatie.

Karlskirche, Wenen

De derde laag betreft een verdraaiing van de feitelijke geschiedenis. Het daadwerkelijk gebeurde wordt opgeofferd aan een nieuw historisch besef. Iets dergelijks gebeurde bij de restauratie van Paleis Het Loo, waarbij de essentiële veranderingen die Lodewijk Napoleon in 1806 doorvoerde, weer ongedaan werden gemaakt. In de verbouwing van het paleis is een deel van de feitelijke geschiedenis, namelijk de passage van Neerlands eerste koning, overgeslagen – ten gunste van een bontere Oranjehistorie.

De vierde laag is die van de historische fictie. Het toevoegen van wat nooit heeft bestaan en het daarmee veinzen van respectabele ouderdom. Bedrieglijk, want daarmee wordt moedwillig gezegd dat iets ‘er eigenlijk altijd al is geweest’. Zo ontwierp Jacob van Campen voor de Nieuwe Kerk, tegelijk met het naastgelegen stadhuis op de Dam, een gotische toren om deze ouder dan het stadhuis te doen lijken (uiteindelijk is alleen de romp gebouwd).

De laatste laag in Von der Dunks maakbaarheidschema is het historisch ideaal als vertrekpunt voor een nieuwe, eigen architectuur. In dat geval wordt er niks in oude staat hersteld, maar worden klassieke vormen afgekeken en omgezet in een nieuwe bouwvorm die een eigentijdse ideologie moet vertegenwoordigen. Een voorbeeld daarvan is de 18e eeuwse Karlskirche in Wenen, met koepel en zuilen ontleend aan Romeinse ruïnes en in die vorm een uitdrukking van keizerlijke macht.

De behoefte aan ‘oud en vertrouwd’ lijkt vandaag de dag echter een ander gedaante te hebben. De retronieuwbouwwijken die de laatste jaren als paddestoelen uit de grond schieten, kunnen misschien niet letterlijk worden ondergebracht in een van Von der Dunks lagen van historische maakbaarheid. Wel is duidelijk dat het terugvallen op ‘oud en vertrouwd’ in geen geval een nieuwe trend is. Tijdens de discussie over het ‘potjeslatijn’ van Dirk van den Heuvel werd geopperd dat de afkeer van het historiserende idioom vooral te maken zou hebben met de goedkope en massale uitvoering van de door standaardisatie en vergaande bouwnormen geteisterde bouwpraktijk. Misschien is dus niet zozeer het terugvallen op klassieke vormen als zodanig maar het omgekeerde de boosdoener: een vinexificatie van de traditionele vormentaal.