Opinie —

Modeldenken versus realisme

Janny Rodermond

Het kost de bouwsector jaarlijks maar liefst 5 miljard om zelf gemaakte fouten te herstellen. Dat is minimaal 10 procent van de omzet. Dit percentage is de laatste jaren verder gestegen, aldus een onderzoek van USP Marketing Consultancy (NRC Handelsblad 7 april 2006).Voor de meeste architecten zijn deze schrikbarende cijfers geen nieuws. De strijd om tijdens de bouw fouten te voorkomen en te herstellen is immers dagelijkse praktijk.

Vergelijking van bedrijven in de bouwsector t.o.v. de aex-index. grafiek BehrenSterk (www.behr.nl)

De bouw onderscheidt zich in haar disfunctioneren niet van andere sectoren, waar de kloof tussen topmanagement en de werkvloer steeds verder toeneemt. Onder het mom van efficiency en het verhogen van de controle is een heel leger aan bouwprocesmanagers en adviseurs de gang van zaken op de bouwplaats gaan beheersen. Tussen de architect die de bedoeling, de constructie en de detaillering van een ontwerp doorgrondt, en de bouwvakkers die het ontwerp uitvoeren bestaat nauwelijks nog contact. De bouw is opgesplitst in reeksen van werkzaamheden, waarvoor verschillende (onder)aannemers verantwoordelijk zijn. Deze betrekken hun materialen van leveranciers gebaseerd op financieel gunstige afspraken. Gevolg van de complexe organisatie is dat veel beroepsgroepen verdienen aan de bouw, maar dat de opdrachtgever en het publiek uiteindelijk vaak teleurgesteld zijn over het armoedige en uitgeklede bouwwerk.

De architect, die als persoon nog herkenbaar is in de hele wirwar van betrokken partijen, krijgt meestal de schuld. Jeroen van Schooten, voorzitter van de BNA, meent dan ook dat het wel weer goed komt met de bouw, wanneer de architect z’n oude positie als bouwmeester terug kan veroveren (zie de Architect februari 2006). Dat lijkt heel redelijk, maar zo’n pleidooi ontkent de taaie structurele misstanden die onder andere de bouw kenmerken. In het lijvige boekwerk Met gevoel voor realiteit. Over herkennen van betekenis bij organiseren analyseert hoogleraar bedrijfskunde Wim van Dinten de oorzaken van het ontstaan van de kloof tussen de top van organisaties en de werkvloer. Veel van zijn constateringen zijn niet nieuw, maar door de grote variatie aan cases uit heel verschillende branches toont Van Dinten wel aan hoe sterk het disfunctioneren van organisaties verweven is met alle sectoren van de samenleving. Van Dinten: “Ik zag in de loop van de jaren ’80 steeds vaker dat modellen en uitdraaien van computerbestanden in de plaats kwamen van wat er in de realiteit gebeurde […] Je zag in organisaties twee lagen ontstaan: één die de organisatie stuurde in termen van modellen – de modellisten – en één die zich bezighield met de realiteit – de realisten […] de ene laag staat als bestuurlijke elite in de wereld en neemt niet waar, geeft geen betekenis aan wat er in de realiteit gebeurt en de andere laag – de voet van de organisaties en de voet van de samenleving – wordt met de resultaten van die bestuurlijke elite geconfronteerd, ervaart die als wereldvreemd en neemt daar steeds meer afstand van.”

De architectuurwereld is echter niet alleen slachtoffer, maar ook onderdeel van deze twee conflicterende zienswijzen. Een pleidooi voor herstel van de positionering van de architect vereist daarom zelfreflectie. In hoeverre was het grote succes van de Nederlandse architectuur mede gebaseerd op het ontwikkelen van modellen en concepten? Was de architectuur juist door het toepassen van generieke benaderingswijzen, los gekoppeld van een specifieke context, geschikt voor de export en voor de toepassing op locaties die deel uitmaken van de globale ontwikkelingen in de succesvolle stedelijke gebieden? En voldoen dergelijke benaderingen, hoe beeldrijk ook, nog wel aan de behoeften in de samenleving? Steeds vaker liggen de producten van het (super)modernisme onder vuur, omdat ze onvoldoende bijdragen aan de vraag naar betekenisverlening, die in het begin van de 21e eeuw opgekomen is. De vloedgolf van historiserende bouwwerken die Nederland nu overspoelt, vormt geen oplossing voor dit vraagstuk, maar is vooral een uiting van de heersende verwarring. De veelal grof uitgevoerde neostijlen hebben immers vaak minder binding met de alledaagse context dan de producten van een verfijnd en gemodificeerd modernisme.

De vraag is: wat hebben architecten de samenleving nu te bieden? In hoeverre zijn ze in staat om zich vrij te maken van het modelmatige denken en ontwerpen te ontwikkelen in samenwerking met andere partijen en gericht op het oplossen van opgaven in een specifieke context? Hoe creatief zijn architecten nu het er om gaat nieuwe oplossingen aan te dragen voor het onderwijs, de zorgsector, de woningbouw en herstructureringsopgaven? Staan ze aan de kant van de modeldenkers of zijn het realisten? En hoe ziet een eigentijdse architectuur er uit die ook aandacht heeft voor het lokale, het specifieke, het ogenschijnlijk nietige en het kwetsbare? Misschien liggen hierin juist de potenties voor het opfrissen van het vormvocabulaire van een succesvolle architectuur die verbonden was met de zogenaamde ‘nieuwe economie’ en ‘oude politiek’. Het pleidooi voor het versterken van de positie van de architect, krijgt veel meer reliëf, wanneer de beroepsgroep tegelijk duidelijk weet te maken dat het niet louter om het veroveren van macht gaat. Dat het werk van de architect verschil uitmaakt, dat het bijdraagt aan het versterken van de betekenis die de gebouwde omgeving in het dagelijks leven heeft.