Nieuws —

‘Big Business’ in Businesspark Arnhem

Joost Verlaan

De ontwikkelingen rondom Businesspark Arnhem, beter bekend als het KEMA-terrein, hebben een tijdje stilgelegen. Sinds vorig jaar mei is er echter een nieuwe eigenaar die grootse plannen met het terrein heeft, tijd om de stand van zaken op te maken.

CASA, het (landschaps)architectuur- en stedenbouwcentrum Arnhem, organiseerde daarom 18 april een avond op en over Businesspark Arnhem. Sprekers waren Ton Verstegen, Jan Dirk Hoekstra van H+N+S landschapsarchitecten en Rutger Sypkens van TCN, de kersverse eigenaar van het Businesspark. Om het toegestroomde publiek een indruk te geven werd de avond begonnen met een rondwandeling op het normaal niet voor publiek toegankelijke terrein.

We passeren diverse voorbeelden van jaren ’30 bedrijfsarchitectuur van de KEMA, gelegen in de lommerrijke parksetting van het voormalig landgoed. Getuige de roze verschoten gordijnen in verschillende panden is er vanaf die tijd niet veel veranderd. Ondanks de fraaie architectuur en de unieke omgeving is leegstand hen ten deel gevallen.

In de jaren ‘30, waarin de industrialisering een vlucht nam, ontstond in Arnhem de discussie of de stad zich moest ontwikkelen tot ‘Pronkstad’ of ‘Werkstad’? Het KEMA-terrein wordt door Ton Verstegen gekarakteriseerd als voorbeeld waarin beide gecombineerd zijn; industriële planmatigheid in een romantische Engelse Landschapsstijl. Hij spreekt van een ‘herenakkoord’; het landgoed De Brink mocht worden omgevormd tot bedrijventerrein mits men rekening hield met de aanwezige natuur. Om hieraan te voldoen werd voortgeborduurd op de bestaande structuur van het landgoed en werd de bebouwing zodanig ingepast dat men vanuit het ene gebouw de anderen niet kon zien. Dit herenakkoord heeft lang stand gehouden; zelfs in de jaren ’70 gebouwde panden liggen verscholen achter bosschages of verzonken in het glooiende landschap.

Waar in de jaren ’90 de aandacht steeds nadrukkelijker verschoof naar de zichtbaarheid van de architectuur, met als hoogtepunt het KEMA-hoofdgebouw van Meyer en Van Schooten, is in de plannen van H+N+S teruggekeerd naar de vroegere ontwerpprincipes van De Brink. Zo wordt bebouwing gelegen aan grotere open ruimtes, gevlijd in de boszoom en mogen de nieuwe gebouwen niet tot boven de boomtoppen reiken. Het opschonen van doorzichten, zoals bijvoorbeeld het uitzicht vanuit het hoofdgebouw over de glooiende heuvels naar Oosterbeek en het weer boven de grond brengen van de Slijpbeek behoren ook tot het programma. Het is zaak, zo vertelt Hoekstra, om alle deelgebiedjes en losstaande bebouwing weer familie van elkaar te maken. Het landschap, van de stuwwal tot aan de rivier, is hierbij leidend; de bebouwing wordt als het ware in het landschap geplooid.

De TCN visie op de ontwikkeling van het bedrijventerrein wordt door Sypkens gevat in de slogan ‘Leven in het park’. Een Toscaanse familie aan de tuintafel, zo uit een Bertolli reclame weggelopen, staat symbool voor de sfeer en uitstraling die men het businesspark wil geven. Typisch een vorm van Pronkstad zou je denken. Dat er aan het ‘verenkleed’ waarmee men wil pronken nogal wat verschikt moet worden om het enigszins rendabel te maken wordt wijselijk achterwege gelaten. TCN lijkt te zijn ingestapt rekenend met het woningbouwprogramma ingetekend in de plannen van H+N+S. Met een overschot aan grote bedrijfshallen en tekort aan kleinschalige bedrijfsruimtes toegespitst op de markt, is de vizier nu toch vooral gericht op woningbouw. Randvoorwaarden als hoogspanningsleidingen en geluidsnormen van het spoor beperken deze mogelijkheden echter behoorlijk.

Het is te hopen dat deze woningbouw op een zelfde wijze in het landschap als de bedrijfsgebouwen wordt ingepast. De ligging op de heuvel, het uitzicht, de relatie met de rivier, de prachtige oude bomen van het landgoed vormen uiteindelijk het ‘unique selling point’, om maar in de terminologie te blijven. Het is daarom zaak, zoals ook de sprekers benadrukken, dat het terrein als één geheel ontwikkeld wordt. Alleen zo kunnen bestaande barrières worden weggenomen, verommeling wordt tegengegaan en een toekomstig landschapsbeheer gewaarborgd worden. Tevens kan het van belang zijn het gebied, of delen ervan, openbaar te maken. Toegankelijkheid en gebruik van het park, ook door omwonenden, kan wel eens van cruciaal belang zijn om deze groene (bedrijfs)enclave daadwerkelijk onderdeel te maken van de stad.