Nieuws —

Seoul wedergeboren

Gideon Boie

In de zevende aflevering van het Berlage Talking City-programma op dinsdag 2 mei ging de Zuid-Koreaanse architect Young Joon Kim (Yo2 Architects) uitvoerig in op de sociale, economische en politieke condities waarmee architecten in Zuid-Korea moeten werken. Dit leverde een boeiend relaas op over de historische rol van architectuur in de versnelde ontwikkeling van Seoul. Een rol die nog lang niet is uitgespeeld nu internationale sterarchitecten de opdracht krijgen Seoul het tijdperk van het creatieve kapitalisme binnen te loodsen.

Young vertelde hoe Seoul na de Koreaanse oorlog in 1953 vanuit het (bijna) niets uit de grond werd gestampt om vervolgens uitgebouwd te worden tot een metropool met twintig miljoen inwoners. Fascinerend, zeker vergeleken met de doorsnee westerse stad die minimaal twee eeuwen nodig had om de industrialisatie te ondergaan én weer te boven te komen. Zuid-Korea raffelde haar inhaalslag in pakweg dertig jaar af. Young behandelde deze periode in vogelvlucht: de stadskernontwikkeling in de jaren vijftig en zestig, vervolgens de massawoningbouw en ontwikkeling van zware industrie in de jaren zeventig, daarna de interne verdichting van de stad in de jaren tachtig, en tenslotte de explosie en mutatie van de stad in de woelige jaren negentig. De economische depressie in de mid-jaren negentig en de volksopstand tegen de militaire dictatuur, markeerden het voorlopige eindpunt van Seouls ontwikkeling.

downtown Seoul

Opvallend was dat Young’s verhaal vanaf het jaar 2000 inzakte. Tot vermaak van het aanwezige publiek (of was het een teken van herkenning?) beperkte hij zich tot het quasi commentaarloos benoemen van de ontelbare bijdragen van internationale sterarchitecten: Libeskind, FOA, Tschumi, Perrault, Hadid, Holl, Botta, Coop Himmelblau, Heikkinen, en ook een brede Nederlandse delegatie: NL, OMA, UN, MVRDV, EEA – geen enkele naam van de architecturale hall of fame ontbreekt op het Koreaanse reveil. “Buildings are like brands, it’s like buying a Gucci handbag”, stelde Young. Hiermee leek hij zijn eigen stelling – dat globalisatie de architect verplicht om zich snel in te leven in de specificiteit van de lokale situatie – te ondermijnen. Een eindeloze stroom flitsende gebouwen maakte pijnlijk duidelijk dat de hedendaagse architectuur bestaat uit een aantal snel aan te leren ‘globale’ gimmick’s die je op eender welk gebouw kunt herhalen en die resulteren in gedrochten die je overal kunt neerpoten.

Young’s commentaar was des te opmerkelijker gezien het feit dat de huidige lotgevallen van Seoul niet zo heel veel verschillen van de situatie anno 1950. In het eerste deel van zijn lezing toonde Young hoe Korea na de koloniale Japanse overheersing (toen het verzeild raakte in een steekspel tussen wereldmachten) uit de economische malaise verrees door zo snel mogelijk in te haken op internationale netwerken. Zo werd in jaren vijftig een groots ontwikkelingsplan ontvouwd om Seoul bouwrijp te maken voor buitenlandse investeringen: industrieterreinen werden aangelegd, Seoul werd door een spoorlijn verbonden met de haven, in een Department Store werden lokale goederen uitgestalt, er kwamen hotels en ontspanningsvoorzieningen voor buitenlandse kenniswerkers. De gevolgen voor Seoul waren navenant: niet alleen moest plaats ingeruimd worden voor deze nieuwe programma’s, ook bleek het nodig om in hoog tempo flats te bouwen voor de goedkope arbeidskrachten die van het platteland werden aangevoerd. Young toonde hoe de daarop volgende ontwikkeling van Seoul bestond uit het verder rationaliseren van het stedelijke weefsel in dienst van de ontluikende globale marktsituatie.

De wederopstanding van Seoul uit haar meest recente economische crisis vertoont overeenkomsten met de jaren vijftig. Seoul bespaart zich kosten nog moeite om haar stedelijk weefsel klaar te stomen voor de 21ste eeuw. Dat een brug over de Han-rivier en het Department Store het van ouderdom begaven, zag Young als een grappige coïncidentie met de structurele afbraak van elk gebouw dat binnen de nieuwe economische omstandigheden haar nut verloren heeft. Zo moest in 1995 het oude Japanse gouvernementsgebouw plaats maken voor het Gyeongbok Palace (een toeristische trekpleister) en werd de centrale fly-over in 2003 afgebroken om de gedempte Cheonggye-stroom opnieuw bloot te leggen (doet nu dienst als ontspanningszone). Het afbraakprogramma doet een nieuwe bouwwoede ontstaan: er worden ruime flats gebouwd, een Opera House à la Sydney wordt gepland op een eiland in de Han en een nieuw administratief centrum 120 km verderop moet het centrum adem geven.

Belangrijk voor Young’s discussie over de positie van de architect in Korea is dat de centrale strategie binnen de Grote Verbouwing van Seoul bestaat uit het aantrekken van buitenlandse architecten. Door rechtstreekse opdrachten te verstrekken aan gevestigde namen, maar ook door grote internationale prijsvragen uit te schrijven, zoals de inmiddels bekende wedstrijden in Busan en die voor het nieuwe administratieve centrum van Seoul. Young grapte hierbij dat de flitsende animatiebeelden die hieruit voortkomen een heus architectuurtoerisme naar Korea oplevert. Wat leidt tot de pijnlijke conclusie dat architectuur in Seoul schaamteloos wordt ingezet om de stad klaar te stomen voor de nieuwe economie. In het licht van Young’s historische overzicht is het dan ook niet moeilijk om te voorspellen dat het wachten is op een nieuwe depressie, wanneer de magische kracht van de nieuwe architectuurtempels is uitgewerkt.

Met de polemische vraag of “destructie het enige alternatief is voor architectuur” besloot Young zijn exposé. Anders gezegd: hoe kunnen we een einde maken aan de eeuwige wederkeer van de ‘creatieve destructie’, waarbij elk gebouw dat niet langer past binnen de heersende fase van het kapitalisme vernietigd wordt? Opmerkelijk was dat Young’s eigen voorstellen, ondanks zijn kritiek op de internationalisering van de architectuur, niet bepaald geworteld waren in de lokale situatie. Zo richtte hij alle hoop op globale concepten als ‘levenskwaliteit’ (zelfbouwwijken, participatiearchitectuur, etc.) en ‘partiële aanpassingen’ (o.a. het inrichten van een oud industrieel pand met creatieve bedrijfjes). Schoorvoetend moest Young toegeven dat zijn bijdrage aan de democratisering van het bouwproces in Korea, vrij moeizaam was. Zo biechtte hij op bij een zelfbouwproject maandenlang op een cliënt te hebben ingepraat om niet direct te kiezen voor traditionele ‘lokale’ oplossingen. Het uiteindelijke resultaat had zeker niet misstaan in het nieuwste Nederlandse architectuurjaarboek: een halfzwevend gebouw met gitzwarte gevelstenen, groen glas en een dakterras. Niettemin lijkt deze moeilijke geboorte vooral te bewijzen dat het – ondanks de massale aanvoer van sterarchitecten – bijzonder veel energie vergt om niet-architecten te overtuigen van de noodzaak zich voor het karretje van de opkomende globale creatieve economie te laten spannen.

Straatbeeld Seoul

Het oeuvre van Kim Swoo Geun (stichter van Space Group) staat volgens Young symbool voor de rol van architectuur in deze geschiedenis. In de jaren vijftig en zestig werkte Kim in opdracht van de staat aan een groots modernistisch oeuvre. “Alles wat Ciam en Team X wilden, deed Kim Swoo Guen”, met onder anderen de aanleg van de Noord-Zuidas en een Corbusiaanse superstructuur met hotel, convention centre en universiteitsgebouwen. In de jaren zeventig keerde Kim terug naar de Koreaanse traditie. Dit leverde een baksteenachtig contextualisme op, met als hoogtepunten zijn Hertzberger-aandoend eigen bureau – mét open werkplekken en balkons – en een Wright-achtige rotsvilla. In de aanloop van de Olympische Spelen leverde Kim weer zijn bijdrage aan Grand Projects, waaronder enkele stadiums. Zijn dood in 1986 zag Young als een vroege aankondiging van de nakende economische depressie waarin “zo goed als elk project stokte”.