Recensie —

Stevins De Huysbou gereconstrueerd

Herman van Bergeijk

De Nederlander, in ’t algemeen, is getekend door een flinterdun besef van zijn eigen nationale verleden. Vooral architecten die het oog op de toekomst hebben gericht, lijden aan dit euvel. Alleen daarom al valt het toe te juichen dat er soms publicaties verschijnen die een perspectief bieden op onze eigen geschiedenis.

De afgelopen tijd zijn er verschillende lijvige boeken verschenen die architecten uit de zeventiende eeuw uit het duister hebben laten oplichten. Ik denk aan de studies over Arent van ’s Gravesande (Guido Steenmeijer, Tot cieraet ende aensien deser stede : Arent van 's-Gravesande (ca. 1610-1662), architect en ingenieur, Leiden 2005) en over Nicolaus Goldmann (Jeroen Goudeau, Nicolaus Goldmann (1611-1665) en de wiskundige architectuurwetenschap, Groningen 2005). Nu is daar de reconstructie van een traktaat van Simon Stevin over huisbouw aan toegevoegd.

De Vlaamse Stevin (1548-1620) is wellicht niet geheel onbekend. In menig stad of dorp is een straat naar deze geleerde veelkunner genoemd en bepaald inventies, zoals de zeilwagen, spreken nog altijd tot de verbeelding. Desondanks kunnen we niet zeggen dat hij een belangrijk onderdeel uitmaakt in het begrip van ons eigen verleden en heden, en dat terwijl hij de bedenker is van Nederlandse namen voor veel wiskundige begrippen.

Stevin is slechts één van de vele vergeten erflaters van onze beschaving. Daarmee is niet gezegd dat hij geheel in de vergetelheid is verdwenen. Door wetenschapsbeoefenaars wordt Simon Stevin nog steeds ijverig bestudeerd en zelfs binnen de architectuurgeschiedenis is hij, vooral door de studies van architectuurhistoricus Ed Taverne, niet van aandacht verstoken geweest. Taverne heeft zich vooral gericht op de stedenbouwkundige implicaties van het werk van Stevin. In het kielzog van zijn dissertatie publiceerde Taverne meerdere studies waarin ‘de stad’ van Stevin centraal stond. Toch hebben deze studies nauwelijks invloed gehad op het stedenbouwkundig denken in Nederland. Het modelmatig werk van Stevin heeft de hedendaagse stedenbouwer nooit echt kunnen boeien ondanks het hoge theoretische gehalte. De abstractie van zijn voorstellen werd geheel genegeerd. Dit is opmerkelijk omdat stedenbouw in feite een hoge mate van abstractie kent; de discipline lijdt aan een gebrek aan historisch besef.

De Huysbou moest aanvankelijk onderdeel zijn van de Wisconstighe Ghedachtenissen (1605) dat oefenstof bevatte voor Prins Maurits. 'In his original form, Huysbou formed part of a work intended as an account of the scientific subjects and experiments that Stevin had set his pupil.' Daar hield het niet op: het was de bedoeling dat ’De Huysbou’ tot een zelfstandige publicatie zou worden uitgewerkt, maar het is er nooit van gekomen. Stevins zoon Hendrick nam wel grote delen op in de uitgave Materiae Politicae (1649).

Architectuurhistoricus Charles van den Heuvel heeft een poging ondernomen om het traktaat zoals Stevin dat ooit had willen publiceren, te reconstrueren. De Huysbou bestond uit een verzameling losse aantekeningen waarvan sommige verloren zijn gegaan. Uit bestaande fragmenten probeerde Van den Heuvel het geheel te achterhalen zonder evidente breuken te bedekken; het geheel blijft hierdoor uitermate fragmentarisch. Het resultaat is niettemin verbijsterend en Van den Heuvels volhardingsvermogen is prijzenswaard. In de uitvoerige inleiding plaatst hij Stevin binnen de wetenschapspraktijk van die tijd. Bovendien wordt de recente literatuur over Stevin met betrekking tot zijn architectuuridealen besproken. Die is vooral theoretisch van aard ook al probeerde Stevin spiegheling en daet met elkaar in overeenstemming te brengen. De toepasbaarheid van de ideeën van Stevin was echter gering. Het ging om een goed begrip van de logica, van de calculus. Hij calculeerde vrijwel alles in denkmodellen. De wiskundigheid en mechanica stonden voorop, vandaar ook zijn geringe interesse en zijn dédain voor het perspectief als representatiemiddel voor architectuur. Perspectief was iets voor schilders die naar een beschrijvende illusie streefden. Architectuur was geen kunst maar een omvattende wetenschap.

Wiskundigheid was één van de sterke kanten van de Nederlandse wetenschapsbeoefening. Precisie werd in andere exacte wetenschappen gevonden en in mathematiek vertaald. Een model werd gemaakt zodat het als voorbeeld van het gewone leven kon gelden. De logica die Stevin probeerde te achterhalen en in zijn denken steeds voorop stelde, gaf hem een zekerheid in het nut van zijn eigen handelen. Rationalisatie van de woningbouw vond hier te lande al op een bijzondere wijze plaats voordat het begrip vele jaren later als absolute categorie zou worden geïntroduceerd. Van den Heuvels opmerking dat ‘rational categories are legitimate as long as it is borne in mind that these had a different meaning in seventeenth-century architectural theory than they have in New Functionalism’ is nauwelijks van belang. Rationalisme is altijd tijds- en plaatsgebonden en het is duidelijk dat de leesbaarheid van de wereld voor Stevin een andere was dan bij voorbeeld voor Descartes.

Van den Heuvel vermijdt angstvallig elke referentie naar de eind zestiende, begin zeventiende eeuwse politieke en sociale situatie en hierin ligt de zwakte van zijn reconstructie. Stevin wordt hierdoor niet beschouwd als een intrinsiek onderdeel binnen de constructie van de Nederlandse mentaliteit. Generaliserende beschouwingen worden weliswaar vermeden, maar tegelijkertijd krijgen we niet echt greep op het waarom van Stevins activiteiten in een periode die gekenmerkt wordt door grote binnenlandse twisten en spanningen. Van den Heuvels Stevin verschanst zich in zijn wiskundige zekerheden. In deze reconstructie lijkt Stevins denken soms in een politiek en ideaal vacuüm te hebben plaatsgevonden en dat terwijl Stevin juist de kloof tussen theorie en praktijk wilde overbruggen. Stevin is daarnaast een belangrijke sleutel tot een beter begrip van de Nederlandse mentaliteitsgeschiedenis.

Het speculatieve element in de reconstructie van het traktaat is vooral te vinden in het frequente gebruik van het woordje ‘probably’. Af en toe krijgen we het gevoel dat het aantal hypotheses zo groot is dat er geen onderlinge samenhang valt te ontdekken. Hierdoor  ontgaat het specifieke doel van de hypothese. Wellicht is dit ook aan het Engels te wijten. Het gebruik van deze wereldtaal heeft misschien dit werk van Stevin toegankelijker gemaakt voor meer mensen, maar Stevin als promotor van de Nederlandse taal zou het zeker graag anders hebben gezien.

Het hoofdstuk Vande Heymelicken (Privies), over de waterclosetten, is onontbeerlijk voor de gebruiker van het huis en de opmerkingen van Stevin zijn zowel curieus en richtinggevend. Vooral omdat over het ornament en de zuilenorde met bijna geen woord wordt gerept. In Aenteijckeninghen op Serlijns en anderen gaat Stevin in op de zuilenkwesties die vele architectuurtheoretici voor hem zo hadden beziggehouden. Vitruvius, Alberti en Serlio behoren dan tot de gesprekspartners van Stevin. Bij het schrijven van zijn traktaat liet hij zich echter meer door eigen denken en overwegen leiden dan door de ideeën van vroegere Italiaanse schrijvers. Dat maakt het traktaat extra interessant.

De 544 pagina’s tellende publicatie is uitgegeven door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, een vermaard instituut, dat er alles eraan doet om de Nederlandse cultuur in binnen- en buitenland aan de man te brengen. De hoge prijs van de publicatie – 89 euro –  kan een drempel vormen voor sommigen, zij kunnen overwegen het boek te downloaden van het internet, gratis voor niets.