Nieuws —

Utrechtse vierkante meters

Erik Stekelenburg

In Architectuurcentrum Aorta werd onlangs een nieuwe lading ambitieuze jonge Utrechtse architecten gepresenteerd, een primeur voor Utrecht. In het debat bij de opening van de tentoonstelling Nieuwe Lading op 12 mei, werd plaatselijke stimulering bepleit en het bestaan van een Utrechtse School gesuggereerd. Opmerkelijk genoeg kwam de reactie dat daar geen behoefte aan is juist uit de nieuwe lading architecten zelf.

Om in aanmerking te komen voor de Nieuwe Lading selectie moest een bureau na 2000 zijn opgericht óf een ontwerper onder de veertig zijn. ‘Nieuw’ slaat verder op het ambitieniveau: de bureaus moeten met hun projecten nieuwe ‘lading’ aan de Utrechtse architectuur toevoegen en een visie op hun werk kunnen formuleren die verder reikt dan het project. Restauratiearchitecten pur sang vallen door de criteria eigenlijk al buiten de boot. Officieel is de uitsluiting van interieurontwerp, landschapsarchitectuur en stedenbouwkundig ontwerp. De selectie, bestaande uit: blaauw & de roos, Dynamo Architecten, MONK architecten, Urbanizer Aannemers & Architecten, Van Kats Architecten en Zecc Architecten, werd gedaan door Indira van ’t Klooster. Op de tentoonstelling vertellen de zes bureaus in evenveel ‘bouwwerken’ over hun visie op architectuur.

Utrechtse School?

Het debat werd gevoerd door Indira van ’t Klooster (curator van de tentoonstelling), Janny Rodermond (directeur Stimuleringsfonds voor Architectuur), Peter Vermeulen (voorzitter Welstand Utrecht), Klaas van der Molen (BAR architecten, Rotterdam) en Jaco de Visser (architect te Utrecht). De vraag of er een Utrechtse School bestaat werd door Rodermond voornamelijk behandeld in de context van ‘tips om te slagen als jonge architect’. Ze noemde deze gezamenlijke presentatie een eerste stap: “Succes begint bij zichtbaar maken.” De tentoonstelling deed haar denken aan de biënnale van jonge architecten. Wat haar betreft blijft het niet bij deze ene keer en gaan ze door totdat ze als nieuwe lading in het Jaarboek staan.

Voor de raadgevingen om als jonge architect te slagen en de mogelijkheid van een Utrechtse School sloot ze aan op de specifieke Utrechtse situatie:  “Plaatselijke jonge architecten worden nauwelijks ingeschakeld in uitbreidingslocaties als Leidsche Rijn en Universiteitscentrum De Uithof maar ploeteren op de vierkante meter”.  Dat de grote circuits vaker gesloten blijven hangt volgens haar samen met de afwezigheid van een Technische Universiteit. Maar dat hoeft volgens haar geen belemmering te zijn: “Je kunt van je context en geschiedenis je kracht maken.”

Ze wees op de enige Utrechtse winnaar van de Rietveldprijs, Mart van Schijndel, wiens werk zich kenmerkt door het kleinschalige, ambachtelijke, ruimtelijke en interdisciplinaire. Voor de hand liggende kenmerken van het ploeteren op de vierkante meter. Ze zag die kenmerken in de tentoonstelling terug en vroeg zich af of er in dat opzicht misschien sprake is van een Utrechtse School. De kenmerken werden door veel aanwezigen echter niet gezien als specifiek Utrechts. Alleen Klaas van der Molen van het Rotterdamse BAR architecten suggereerde nog een aanleiding om te spreken van een Utrechtse School. Hij zag die vooral in de zeer praktische instelling van de tentoongestelde architecten: “Totaal anders dan in Rotterdam. Urbanizer Aannemers & Architecten is daarvan een fascinerend voorbeeld.” Van der Molen weet dat aan de HTS-achtergrond van veel ontwerpers, en ondersteunde daarmee het betoog van Rodermond over het belang van de context. In dit geval de context van de opleidingen: Utrechts hoogste bouwkundige opleiding is een HTS (Hogeschool Utrecht). Rodermond noemde de opleidingscontext eigenlijk alleen in verband met de aanmoediging om coalities te sluiten en wees naast het Centraal Museum op de afdeling Stadsgeografie van de Universiteit Utrecht. Ook voor haar andere tips putte ze uit de context: “Richt je op nieuwe opgaven, sluit aan bij de sociale agenda van het nieuwe college. Werk samen met buurten. Verzin projecten.”

Architectuurklimaat

De adviezen werden gevolgd door een pleidooi voor stimulering van Utrechtse architecten door Utrechtse opdrachtgevers. Uit eigen belang, om het creatieve klimaat te stimuleren, statements te maken, omdat een plaatselijke architect meer van een opdracht zou maken. Toen werd het Marnix van der Meer van Zecc Architecten te bar. Hij hekelde de klaagstemming en rekende in één ruk af met de grote thema’s van de middag: “Ik heb geen behoefte aan een Utrechtse School en geen specifieke behoefte om in Utrecht meer te doen.” Ook Klaas van der Molen vond de discussie veel te smal. Zijn Rotterdamse bureau BAR werkt veel in Utrecht en, zal zijn overtuiging zijn, ook in het belang van Utrecht. Het lijkt veilig om de Utrechtse School vooralsnog te situeren op de paar vierkante meters van de tentoonstelling in Aorta.