Recensie —

China-hype

Marina van den Bergen

Cultureel Rotterdam doet deze zomer nog een keer dunnetjes over wat cultureel Amsterdam vorig jaar al deed: de blik richten op China. Onder de noemer China Contemporary heeft iedere discipline haar eigen tentoonstelling: beeldende kunst in het Boijmans, beeldcultuur in het Fotomuseum en architectuur in het NAi.

China, een land met een enorme economische groei, met zo veel bouwputten en toch zo weinig architectuur met een hoofdletter A – dat was mijn eerste gedachte bij het zien van de tentoonstelling China Contemporay Architecture in het NAi. In de grote zaal wordt werk getoond van Crystal Image, China’s grootste rendering-bureau (ruim 800 werknemers), en van achttien architecten. De architecten willen volgens de inleidende tentoonstellingstekst meer kwaliteit brengen in de huidige bouwproductie en deze tegelijkertijd ter discussie stellen. Gesteld wordt dat het heden complex is, verwarrend en chaotisch, en dat het ideaalbeeld uit de renderings – schoon, vrolijk en probleemloos – in werkelijkheid teleurstellend anders is.

Verdeeld over vijf thema’s: Critical Urban Renewal, Urbanscape, Public Domain, Informal China en Chineseness, worden veertig projecten getoond. De aard van de projecten varieert van onderzoek tot kunstproject en van wilde droom tot gebouwde realiteit. De tentoonstelling is gelardeerd met renderings van Crystal Image, als sluikreclame in een tv programma.

In Critical Urban Renewal wordt aandacht besteed aan stadsvernieuwing. In het transformatievoorstel van Urbanus voor de wijk Gangsha in Shenzhen is de openbare ruimte van de straat naar de daken verplaatst. Ook ‘kritische’ architecten blijken zich, niet heel verrassend, te bedienen van vrolijke, probleemloze toekomstbeelden. We zien zwembaden, parken en sportvelden. In een schone omgeving flaneren jonge, goed geklede mannen en vrouwen, spelen kinderen – en dat alles op ongeveer vijfentwintig meter hoogte.

In Ninbo realiseerde MADA een stadsvernieuwingsproject waar de stedelijke structuur van de voormalige oude havenwijk gehandhaafd bleef. Zo op het eerste gezicht lijkt het een geslaagd project, maar bij nadere bestudering blijken de straten akelig leeg en schoon te zijn. Het project krijgt hierdoor al snel iets van een thematische Shopping Mall.

Public Domain behandelt het vraagstuk van politiek publieke ruimte versus commercieel publieke ruimte. Waarbij over het eerste wordt gezegd dat ze geen verblijfsruimte is en van de andere dat het hier winkelcentra, restaurants en cafés betreft. Een van de projecten die getoond wordt is Guangzhou Time Rose Garden van Jiakun Architects. In de omsloten binnentuin van een gated community wordt een door Alain Fauraux en Rem Koolhaas ontworpen museum gebouwd. Een openbaar voetpad slingert via het museum door de besloten tuin, hoog boven de grond en soms door het water, zodat ze niet betreden kan worden. Mogelijk is het project een kritisch commentaar op het verdwijnen van werkelijk openbare ruimte, want deze catwalk is toch echt geen openbare verblijfsruimte.

Informal toont beelden uit een onderzoek van MAP Office naar het zelforganiserend vermogen van bewoners. Het zijn fascinerende beelden. De conclusie van het onderzoek is helaas wat voorspelbaar: “de complexe realiteit en flexibiliteit moet meer onderdeel uit maken van de ontwerpen van architecten”. De vraag is of de bewoners ook dergelijke fotogenieke uitbouwtjes hadden getimmerd en gemetseld als ze betere en ruimere woningen hadden gehad.

Gebouwen die een symbiose aangaan met het stedelijk weefsel staan centraal in het thema Urban Scape. Ook in China uit dit zich in een stapeling van programma: bioscopen, winkels, woningen, restaurants, kantoren, museum. Horizontaal of verticaal gestapeld. Het betreft hier voornamelijk ontwerpen van (nog) niet gerealiseerde projecten. Onduidelijk is de meerwaarde van dergelijke stapeling. In alle projecten wordt het programma netjes in zones over de massa verdeeld.

Chineseness wordt omschreven als een herinterpretatie van de Chinese architectuur en regionale cultuur. De ene architect doet dat op een iets groteskere manier dan de andere. Bij de hier getoonde projecten krijgt de bezoeker voor het eerst een glimp van een architectuur die een persoonlijk handschrift van de ontwerper draagt.

Als een blinde die voor het eerst kennis maakt met een olifant. De ene keer voelt hij een stuk staart, dan een teen, een oor. Het beest is zo groot dat de blinde zich er geen beeld van kan vormen. Zo omschreef Ruurd Gietema (KCAP) eens zijn relatie met China. Dit niet kunnen vatten, lijkt ook het NAi parten te hebben gespeeld. Groot gemis van deze tentoonstelling is ook het ontbreken van enige context en referentiekader. Van de bouwwoede waarover in de inleiding wordt gerept is op de tentoonstelling zelf niets terug te vinden. Noch van de vermeende slechte kwaliteit van deze bouwproductie, zowel in vormgeving als in bouwtechniek. Hierdoor drijven de veertig ‘kritische’ projecten als piepkleine wolkjes in een fel blauwe hemel. Ook is het jammer dat er in de tentoonstelling geen verband wordt gelegd met de ontwikkelingen die momenteel in China plaatst vinden en ontwikkelingen die elders in de wereld plaats vonden en vinden; In Nederland werden in de jaren zeventig buurten gesloopt in het kader van krotopruiming, net als in China nu. In China worden probleembuurten gesloopt, net als in Nederland nu, alleen heet het bij ons sociale vernieuwing.

En dan de projecten zelf, toont het NAi de crème de la crème onder de Chinese architecten? Objectief oordelend over de projecten, zijn ze – een uitzondering daar gelaten – kwalitatief en kwantitatief teleurstellend. Misschien is het, gezien de recente historie van het land en de ontwikkelingsfase waarin het nu verkeert, gewoon nog te vroeg voor een grote tentoonstelling over contemporaine Chinese architectuur met een hoofdletter A. Of zoals politicoloog Minxin Pei het verwoordde in het NRC: “Er is maar één ding dat nog sneller opkomt dan China, en dat is de China-hype”.