Nieuws —

Peking – City of Objects

Bert de Muynck

Als onderdeel van de Talking Cities lezingreeks gaf Yung Ho Chang op 30 mei een lezing over Peking in het Berlage Instituut. Hij vergeleek zijn stad met een Chinees kastje waarin verschillende objecten naast elkaar een plaats vinden.

Tijdens het China Contemporary openingssymposium The New New Human Being op 11 juni, presenteerde de Chinese architect Rong Zhou het werk van Atelier FCJZ als exemplarisch voor het Chinese modernisme. Door middel van architectuur zoekt het bureau naar een combinatie van nationale, politieke en moderne identiteiten. Atelier FCJZ (Feichan Jianzhu: Unusual Architecture vrij vertaald in het Engels) werd in 1993 opgericht door Yung Ho Chang en was het eerste privaat opgerichte architectenbureau in China. Yung Ho studeerde aan de universiteit van Californië in Berkeley en verbleef vijftien jaar in Amerika voor hij in 1993 weer naar Peking terugkeerde. Momenteel is hij hoofd van de MIT architectuurfaculteit in Boston en professor aan de universiteit van Peking. Daarnaast is Yung Ho Chang kunstenaar, sinds 2000 presenteerde hij viermaal zijn werk op de Biënnale van Venetië.

Yung Ho Chang is geboren en getogen in Peking en in zijn introductie stelde hij dat hij het oude Peking maar al te goed kent. Hij werd grootgebracht in de hutongs, waarvan tot op dit moment slechts dertig procent bewaard is gebleven. Omdat hij geen historicus is zou zijn presentatie, zoals hij het zelf verwoordde, ‘een Da Vinci Code-achtige reflectie’ worden op de stedelijke transformatie die zich de voorbije decennia voor zijn ogen af heeft gespeeld. Het begin van zijn lezing over Peking als een City of Objects plaatste hij in 1948 met de oprichting van de People’s Republic of China (PRC) en de constructie van het Monument to the People’s Heroes op het Tiananmen-plein (Plein van de Hemelse Vrede), in het hart van de stad. Dit monolithische werk symboliseert voor hem het begin van de City of Objects.

Figuratief hotel in Peking

Hierna werden ieder decennium tien nieuwe monumenten aan Peking toegevoegd, de zogenaamde reeks van Ten Grand Projects. De eerste reeks verscheen naar aanleiding van het tienjarige bestaan van de PRC en bestond onder anderen uit het parlement, een nationaal museum en een hotel. In 2008 wordt een nieuwe reeks opgeleverd, met onder anderen het CCTV (ontworpen door een local talent, aldus Yung Ho Chang in het Berlage) en het Olympisch Stadium. Volgens Yung Ho Chang zijn het objectgebouwen; ze zijn vrijstaand, deels sculpturaal, deels figuratief, ze hebben een bijzondere geometrische vorm, zijn rijk aan kleuren en hoog (hoewel dat laatste niet noodzakelijk is). Het culminatiepunt van het objectgebouw zag Yung Ho Chang in een figuratief hotel in Peking. Mensen houden van dit soort gebouwen, vertelde hij, en dus zullen we er in de toekomst meer van zien opduiken in de stad.

Voorlopig hoogtepunt in deze ontwikkeling is volgens Yung Ho Chang het in aanbouw zijnde Central Business District (ten oosten van de Verboden Stad aan de derde ringweg) waar de horizontale stad een verticale dependance krijgt. Hij toonde een deel van het onderzoek dat zijn bureau de voorbije jaren deed. Uit dit onderzoek bleek dat het idee van de spontane en willekeurig uitziende ontwikkeling toch een blauwdruk heeft. FCJZ richtte zich op het bestuderen van de masterplannen die sinds het ontstaan van de PRC op Peking zijn geprojecteerd. In het begin werd er ieder jaar een nieuw masterplan ontwikkeld, waardoor de stad zich op basis van een aantal planningcodes ontwikkelde. Deze codes bepalen bijvoorbeeld de relatie tussen de hoogte van een gebouw en de afstand tussen naburige gebouwen. Dit gegeven, gecombineerd met een evolutie van de stedelijke infrastructuur waarin straten zo breed worden dat ze niet meer als straat omschreven kunnen worden, maar eerder als noodzakelijke autokanalen (gedurende de laatste halve eeuw was de transformatie van Peking vooral gericht op het ruimte bieden aan autoverkeer), dwingt architecten tot het maken van objectgebouwen die schijnbaar contextloos zijn, omdat de context verdwenen is of gewoonweg niet bestaat.

Yung Ho Chang vergeleek zijn stad met een Chinees kastje waarin verschillende objecten naast elkaar een plaats vinden; Peking als een spontaan geaccumuleerde miniatuur en themaparkwereld waarin het ene exotische object (Eiffeltoren, globe, Ming-figuurtjes, enz.) naast het andere kan bestaan. Maar onder deze architecturale diversiteit schuilt ook een economische noodzakelijkheid; de vorm en uitstraling van een gebouw – en hier verwees Yung Ho naar het Central Banking District in het oosten van de stad – drukt ook de kracht van de opdrachtgever uit. Dus, zo concludeerde hij, achter de vorm schuilt het verlangen naar het op dramatische wijze te kijk zetten van naburige gebouwen.

Iconografische flexibiliteit dacht ik, toen Yung Ho Chang zijn lezing afsloot door het publiek op het hart te drukken dat hij niet nostalgisch terugdacht aan het oude Peking – verandering hoort er bij. Hij zei het niet in dezelfde woorden maar bedoelde allicht dat objecten komen en gaan, maar Peking zal altijd blijven bestaan.