Nieuws —

Pleidooi voor China met zo weinig mogelijk chineseness

Ingrid Commandeur

In het kader van de grote overzichtstentoonstelling China Contemporary – Architectuur, Kunst en Beeldcultuur in Rotterdam, vond in het NAi een symposium plaats onder de klinkende titel The New New Human Being.

In een vol dagprogramma ging de aandacht vanzelfsprekend uit naar de drie facetten van het overkoepelende project: de hedendaagse Chinese beeldende kunst en architectuur en de laatste ontwikkelingen op het gebied van mode, design en nieuwe media – kortom de Chinese ontwerpcultuur in brede zin. Iedere curator gaf een inleiding op zijn of haar onderwerp, stelde vervolgens drie sprekers voor, die ieder een korte lezing hielden, waarna een discussieronde volgde. Op het eind van de dag, nadat alle afzonderlijke disciplines aan bod waren geweest, werden de koppen bij elkaar gestoken voor een ‘disciplineoverschrijdend’ debat over de wijze waarop de architecten, ontwerpers en kunstenaars reageren op de sociale, economische en stedenbouwkundige veranderingen in hun land en hoe hun werk deze maatschappelijke transformatie reflecteert of becommentarieert.

Urbanus, dynamisch herstel van het dorp Gangsha, ontwerp 2003-2005.

Ook in het slotdebat kwam dit aan de orde. Architecten voelen een grote verantwoordelijkheid op hun schouder rusten, meer dan bij beeldend kunstenaars het geval is. Ou Ning wees er terecht op dat er te veel aandacht uitgaat naar de transformatie van de grote steden terwijl een zo mogelijk nog grotere problematiek zich aftekent in de middelgrote en kleine steden. Onlangs berichtte de Volkskrant er nog over: de massale huisuitzettingen en het ontruimen van kansarme en slechte wijken. China neemt hierin een voorhoedepositie in. Zhou Rong besloot het symposium met de observatie dat in het debat niet steeds de Chineseness van China benadrukt moet worden. Dat vond ik wel een mooie afsluiter. De meest aantrekkelijke eigenschap van China is haar differentiërende karakter. Het is daarom met smart wachten op het moment dat dit kwartje ook valt bij de samenstellers van Chinese beeldende kunst tentoonstellingen. Laten zij het grote verhaal van zich af schudden en met een echt eigentijdse presentatie van hedendaagse, Chinese kunst op de proppen komen.

City Pictorial, ‘Super80ies’ special issue (cover), spring 2006

Gelukkig hadden de beeldcultuur- en architectuuronderdelen van het symposium minder last van de nivellerende retoriek. Li Wen, redacteur van het jongerenmagazine City Pictorial, toonde met verfrissend élan hoe een neus voor commercie kan samengaan met creatieve ideeën en hoe engagement een tijdschrift tot eigentijdse chroniqueur van een stad in transformatie kan maken. Ontwerper, kunstenaar en schrijver Ou Ning, behorend tot een iets oudere generatie jonge intellectuelen, riep vooral op tot meer sociale betrokkenheid en het maken van kritische keuzes door de nieuwe generatie jonge consumenten. De architectuurdiscussie werd ingeluid door curator Linda Vlassenrood. Zij prees het pragmatisme van een kleine, maar groeiende Chinese architectuurpraktijk die een kritische houding in het bouwen integreert. Architectuurcriticus Zhou Rong maakte een onderscheid tussen drie vormen van identiteit die allen in belangrijke mate sturend zijn binnen de stedenbouwkundige praktijk: ‘national, political en modern identity’. Hij hield een pleidooi voor het feit dat ook in de architectuur persoonlijke verhalen en identiteiten tegenover die van de utopische grote verhalen (gebaseerd op nationalisme en prestige van de partijpolitiek) en het kapitalistische vooruitgangsideaal gezet moeten worden.

Xing Danwen, disCONNECTION (2003), foto, 148×120 cm

Het lijkt vooralsnog onmogelijk om het over welk facet dan ook van de Chinese, culturele of kunstzinnige ontwikkeling te hebben zonder geplaagd te worden door dit overkoepelende enigszins generaliserende thema. De Britse kunstcriticus Robert Garnett schrijft in een nog te publiceren artikel in Metropolis M: ‘art might be seen as a means of the creation of the confounding difference of the New that induces conversations yet to come. However, the self-certifying curatorial rhetoric that underpins the projects referred to, at the outset risk denying art this very role, risks curating and bureaucratising away art’s powers to actualise the virtual differences its creates.’ Garnett had het hier niet over China, maar deze kritische uitspraak schoot me door het hoofd toen ik terugdacht aan het symposium over China. Met name het gedeelte dat over beeldende kunst ging. Want daar gebeurde precies waar Garnett voor waarschuwt. Er wordt door curatoren zozeer gehamerd op het feit dat kunstenaars met hun werk reageren op de stedenbouwkundige en sociale vernieuwingen van China, dat deze alsmaar doordreunende retoriek het zicht dreigt te ontnemen op de intimiteit van het werk en de verschillende standpunten van de afzonderlijke kunstenaars waarin dit verhaal zich zou kúnnen ontspinnen. Kunstenaars en hun werk vormen zo een goed verkoopbare en interessante illustratie bij het grote verhaal, dat op de eerste plaats onze nieuwsgierigheid naar de groeiende economische grootmacht China moet bevredigen, en niet zozeer een werkelijke interesse voor de nuances, fricties en tegenstellingen in het werk van de kunstenaars moet opwekken.

In dat opzicht was het behoorlijk teleurstellend dat curator Jaap Guldemond, verantwoordelijk voor de beeldende kunst tentoonstelling in het Boijmans, in zijn inleiding niet verder kwam dan de ‘hoe kan het ook anders’ hamvraag: Hoe reageren kunstenaars op het nieuwe China? Kunstcriticus en curator Huang Du, eveneens betrokken bij de samenstelling van de tentoonstelling, had er een mooie theorie over die hoofdzakelijk ging over de implosie van de Chinese stadsontwikkeling en de wijze waarop Chinese kunstenaars ‘ingaan op de controversiële problemen die met de verstedelijking gepaard gaan’, hetgeen in de tentoonstelling wordt gereflecteerd door een selectie van voornamelijk foto- en videowerken van kunstenaars die dit thema letterlijk en figuurlijk het meest herkenbaar in beeld brengen. ‘Dit is een heel goed tentoonstellingsmodel voor Europa’, zei hij trots. Gelukkig kwamen er twee kunstenaars aan het woord die een beetje kleur aan het gesprek gaven: Wang Jian Wei en Xing Danwen. Wang Jian Wei’s verhaal boeide door zijn oprechte interesse en fascinatie voor de wijze waarop de grens tussen publieke en privé-ruimte in China verschuift. Maar dat jonge, Chinese kunstenaars zich evenmin echt raad weten met de spagaat waarin ze terecht zijn gekomen, bewees Xing Danwens gelaten antwoord op een terechte, kritische reactie uit het publiek. Op de vraag wat ze er van vindt als ze wordt uitgenodigd voor tentoonstellingen omdat ze goed past in de hype voor de huidige aandacht voor China antwoordde ze slechts bedremmeld: ‘Het is niet mijn keuze dat ik in deze context wordt geplaatst, ik hou me gewoon bezig met mijn werk’.