Nieuws —

Ambtenaren onder elkaar

Mieke Dings

De vakantieperiode is begonnen: Nederlanders trekken massaal naar de Méditerranée of boeken een last minute naar een tropische bestemming. Slechts een klein percentage blijft in eigen land. En dat terwijl geen land ter wereld zo’n hoge dichtheid aan vakantiehuisjes heeft. Mieke Dings bezoekt deze zomer vier Nederlandse vakantieparken en schetst een beeld van hun ontstaansgeschiedenis. Als eerste is Bungalowpark De Tipmast in Bladel aan de beurt.

Het was al lange tijd een wens van de Stichting Vakantiebesteding Rijksambtenaren (SVRA), om net als de grote banken, verzekeringsmaatschappijen en andere bedrijven een eigen vakantiepark op te richten. En dan niet zomaar een vakantiepark, maar een park waarin de ambtenaren voldoende rust, ruimte en comfort zouden vinden om zich op te laden voor een nieuw werkjaar. Een park waar de massale vrijetijdsindustrie nog niet was doorgedrongen en met een goede prijs/kwaliteit verhouding. Een park, kortom, dat vele malen beter zou zijn dan de parken waar de SVRA al sinds haar oprichting in 1955 enkele bungalows huurde.

Het resultaat mag er nog steeds wezen: Bungalowpark De Tipmast (ontwerp 1962, bouw 1966-1968) voldoet aan alle eisen die je aan een vakantiepark stelt en die in vele andere parken ontbreken. Hier geen subtropisch zwemparadijs of activiteitenprogramma, maar gewoon een veertigtal huisjes – inmiddels helaas allemaal in particulier bezit, maar soms als zodanig nog wel te huur –  op ruime plekken in het bos, met een sfeervol restaurant en een kleine camping. Zonder slagbomen, verbodsborden of hekken, slechts een ‘welkom’ en een snelheidslimiet van 15km per uur. Het is een park waar rust en ruimte regeren. Een park waar je wel ambtenaar voor had willen worden, als de SVRA – die overigens nog steeds bestaat, maar volgens de voorzitter waarschijnlijk niet lang meer – het nog in bezit had gehad.

De architecten van het park, C.W. van der Kolff en A. de Koning, was destijds op het hart gedrukt om het park vooral zo goedkoop mogelijk uit te voeren. Kwaliteit werd wel belangrijk gevonden – de SVRA wilde de concurrentie het hoofd bieden – maar lage huurprijzen en lage bouwkosten waren nóg belangrijker. Daarom kregen de bungalows dan wel verwarming en werden de kampeerplekken ieder van een sanitaire ruimte voorzien, maar werden kosten bespaard door alle werkzaamheden zoveel mogelijk binnen de muren van het ministerie van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid uit te voeren. De Stichting had zich tenslotte niet voor niets ten doel gesteld om een goede en goedkope vakantiebesteding onder ambtenaren te bevorderen.

Die prijsbewustheid springt absoluut niet in het oog: het park is zelfs opvallend ruim opgezet. De bungalows zijn op flinke (zicht)afstand van elkaar geplaatst en alle bungalows langs de oostrand van het park – de helft – hebben zelfs vrij uitzicht over de velden. De bungalows liggen steeds iets terug van het pad, op open plekken in het bos. Het kleine overdekte terras is zuidoost georiënteerd en bevindt zich het dichtst bij de weg. Grote ramen bieden er zicht op het interieur, bestaande uit een ruime woonkamer met keukenhoek en een gang met daaraan twee slaapkamers, een douche en toilet. De bungalow moest ruimte kunnen bieden aan een gezin van zes personen, met een marge van twee. Het was de bedoeling dat de kinderen in de gangslaapkamers sliepen, zodat ze ’s nachts geen last zouden hebben van het gelach en gepraat van hun ouders, voor wie een slaapplek in de woonkamer was gecreëerd.

Inmiddels worden de bungalows meestal door twee personen gebruikt en is er vaak een deel bij de woonkamer aangebouwd. De 50m2 van toen voldoet niet meer aan de huidige standaard. Het oorspronkelijke keukentje, met aparte wandtafel voor eten en spelletjes, wordt nog vrijwel overal gebruikt, maar valt in het niets bij de stralende keukens waarmee nieuwe vakantieparken adverteren. Toch zien de bungalows er over het algemeen nog goed uit. Oude details verlevendigen nog altijd het verder eenvoudige ontwerp, zoals de kleine vierkante glazen blokken in de keukenmuur die kleine doorkijkjes veroorzaken en de open stenen van de terrasmuren. Hier zaten zo’n veertig jaar geleden de ambtenaren – en dan vooral de prijsbewuste van het Ministerie van Financiën, zo blijkt uit de boekingsoverzichten – te genieten van hun luxe woning en magistrale uitzicht. Groot nadeel was alleen dat de hele afdeling hetzelfde deed, op nog geen paar honderd meter afstand van elkaar, zoals op vele bedrijfsvakantieoorden het geval was.

Dat probleem voelde de SVRA zelf ook wel aan en daarom waarborgde ze niet alleen voldoende privacy voor de verschillende gezinnen door de ruime opzet, maar reserveerde ook een deel van de bungalows voor gasten van buiten. De stichting probeerde de animo van de verschillende ministeries zoveel mogelijk in kaart te brengen en (bij) te sturen. Eis was ook dat het park voor iedereen vrij toegankelijk bleef en dat wandelaars van buiten of inwoners van Bladel door het bos konden slenteren. Deze openheid is nog steeds een van de grootste kwaliteiten van het park. Waar de bungalows steeds meer als privé-domein worden afgeschermd, zijn de paden nog altijd onderdeel van een groter openbaar netwerk. Het park wordt zelfs doorkruist door een openbare weg, die de heidevelden ten zuiden van Bladel verbindt met het openbare zwembad en het oude centrum. Langs deze weg ligt het hoofdgebouw, dat vroeger de fietsenberging, recreatiezalen, en kampwinkel omvatte, en nu dienst doet als openbaar restaurant en receptie voor de campinggasten.

Kampeerplek met sanitair

Op het kampeerterrein staan nog steeds de sanitaire gebouwtjes met keuken, douche en toilet voor iedere afzonderlijke kampeerplaats, die destijds als luxe noviteit het buitenleven gemakkelijker dienden te maken. Dat het park daarmee concessies deed die ‘tegen het dogma van de ware kampeerder’ ingingen, hinderde de meeste bezoekers niet. Nog steeds worden ze dankbaar gebruikt, al is de glans er enigszins vanaf nu de meeste vakantieparken zelfs woningen met bubbelbaden verhuren. Tegenwoordig zit de luxe van De Tipmast dan ook meer in de onveranderde dingen: in de ruimte, het vrije uitzicht, de rust en allerbelangrijkst: in het gevoel niet in een enclave verstopt te zitten. Zo is de traagheid van de ambtenarij soms toch ergens goed voor.