Nieuws —

Kunst en de Stad

JaapJan Berg

Enige tijd geleden organiseerde de Universiteit van Amsterdam (UvA) de conferentie Art and the City: A Conference on Postwar Interactions with the Urban Realm. Een van de uitgangspunten was de onwrikbare, maar misschien ook wat voor de hand liggende, constatering dat metropolen sinds het einde van de tweede wereldoorlog een rijke inspiratiebron voor kunstenaars zijn.

Voor de hand liggend, omdat steden of grote stedelijke concentraties immers sinds hun ontstaan het toneel vormen van groei en verval, economische-, sociale- en politieke ontwikkelingen en conflicten. Bovendien zijn het podia voor het tonen en bevestigen van vele varianten van macht. Kortom, steden zijn tegelijk een spiegel, voedingsbodem en achtergrond voor velerlei ontwikkelingen in willekeurig welke samenleving, westers of niet. Laat kunst nu ook als zodanig te beschrijven zijn. Al met al geen gering onderzoeksgebied voor een congres, zeker als ook de stad zelf en de daarbinnen gesitueerd gebeurtenissen (9/11) en tekens van (economische) macht er in meegenomen worden. Het latent aanwezige gevaar van een wijdlopig aanbod van onderwerpen in zowel tijd als plaats én een gebrek aan overzicht in een caleidoscopisch beeld van (stedelijke) onderwerpen werd helaas niet geheel voorkomen. Dit ondanks een poging om, na een call for papers, de bijdragen aan het programma te ordenen door middel van thema’s als City Branding, Citygraphy, (The) Street (and) Art, Cinematic Cities en Urban Memory.

Een van de onderwerpen die een aantal keren terugkeerden in bijdragen was de veranderde relatie of balans tussen beeldende kunst/kunstenaar en architect/architectuur. Tijdens het afsluitende debat werd, onder meer door Jeroen Boomgaard (o.a. Lector Kunst en Publieke Ruimte bij de Gerrit Rietveld Academie) en Lara Schrijver, gewezen op kansen, maar vooral het ‘gevaar’ dat loert wanneer kunstenaars zich actief met de constructie of bouw van de stad gaan bezig houden. Ze waarschuwden kunstenaars er eigenlijk voor om in handelen en nagestreefde doelen niet gelijk te willen zijn aan architecten. Boomgaard en Schrijver maakten zich, enigszins paternalistisch wellicht, vooral zorgen over een zekere mate van onderschatting van de complexe en dwingende krachten en machten die een stad vormen en besturen. En vooral over de negatieve uitwerking die deze hebben op de ‘vrijgevochten’ beeldende kunst. Die ‘zorg’ vindt plaats tegen de achtergrond van de toenemende aandacht en populariteit voor het thema van de relatie van de beeldend kunstenaar tot de stad en de stedelijke ruimte. Het succes van organisaties als SKOR, diverse tentoonstellingen zoals De Stedelijke Conditie, die momenteel in de Almeerse Paviljoens te zien is, en de door beleidsambtenaren en politici al weer bijna doodgeknuffelde culturele planologie zijn wat dat betreft tekens aan de wand.

Er is op zichzelf natuurlijk weinig aan te merken op de reflectie van kunstenaars op de stad en hun actieve betrokkenheid bij de stedelijke ruimte – zeker niet als dit tot een interdisciplinaire werkhouding leidt en waardevolle resultaten oplevert. Over de organisatie of structuur waarbinnen dit, met name in recente kunstprojecten, wordt gevat valt echter nog wel wat af te dingen. Dit geldt bijvoorbeeld voor projecten op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op sociaal-maatschappelijke terreinen, waarbij kunstenaars niet langer alleen vanwege hun reflecterende capaciteiten worden betrokken. Kunstenaars worden steeds vaker geacht constructieve, meetbare en concrete oplossingen en bijdragen te leveren die goed bruikbaar zijn binnen vaak politiek getinte processen. Het ‘beroep’ kunstenaar wordt daarmee vergelijkbaar met dat van sociaalwerkers, leerkrachten en dus ook architecten. Dit roept de vraag op of kunstenaars zich wel voldoende bewust zijn van de implicaties, verplichtingen en verwachtingen die een dergelijke stap met zich meebrengt.

Gesteld binnen de thematiek van Art and the City, reageert de beeldende kunst volgens het oorspronkelijk ‘klassieke’ scenario direct of indirect op de bestaande situatie van de stad. Ze reflecteert, becommentarieert of accentueert, maar reageert in alle gevallen op een bestaande stedelijke omgeving of eerder uitgevoerd, architectonisch ontwerp. Beeldende kunst is daarmee een soort echo van de stad en stedelijkheid. De ‘één procentregeling’, waarbij – kort gezegd – één procent van de stichtingskosten van een openbaar gebouw besteed moet worden aan een kunstwerk ter verfraaiing van dat gebouw of zijn omgeving, is daar misschien wel het meest lullige en tegelijk treffende symbool van. De kunst volgt dus in dit scenario, in tweede instantie en op ‘veilige’ afstand.

Met de huidige ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld de culturele planologie én de nadrukkelijke wens van kunstenaars zich direct en zichtbaar te verhouden tot de maatschappelijke werkelijkheid, is daar echter een scenario bijgekomen. Voor de contemporaine kunst, die zich eens in de zoveel tijd wenst te ontworstelen aan de beslotenheid van museum en atelier, is dit geen nieuw scenario. De tentoonstelling Mapping the Studio, momenteel te zien in het Stedelijk Museum, gaat in op die worsteling. Beeldende kunst waant zich in een actieve, niet opgesloten vorm op zijn minst gelijkwaardig aan de processen in de stedelijke omgeving waar ze op reageert. Een goed voorbeeld van kunst die een dergelijke actieve rol inneemt is bijvoorbeeld het strategisch kunstenplan ‘Beyond-Leidsche Rijn’ dat ontwikkeld wordt in en voor deze gelijknamige super-Vinexlocatie. Kunst wil daar zelf de context bepalen en vormgeven, en er niet uitsluitend in tweede instantie op reageren. Dit leidt, bij kunstenaars, curatoren en beleidsambtenaren, telkens weer tot hooggespannen verwachtingen. Kunst wordt immers geacht een meerwaarde te leveren aan de veelal volgens functionele en economische wetmatigheden ontworpen en gebouwde ruimte. Ze laat zich bovendien zeer strategisch inzetten bij lastige ingrepen in bijvoorbeeld de bestaande stedelijke ruimte. Kunst kan, omdat het kunst is, een proces verhullen, mooier maken of zelfs als bliksemafleider fungeren.

Wanneer kunstenaars aan tafel schuiven bij reguliere actoren als politici, stedenbouwers en architecten wordt van hen een onconventionele blik op de kwestie verwacht. Die verwachtingen vertroebelen vaak de realiteit waarin ook beeldende kunst niet meer is dan een futiel onderdeel van veel grotere processen. Of zoals Boomgaard het in 2003 in zijn artikel Het podium van de betrokkenheid verwoordde: “Kunst moet zich met de wereld bemoeien, maar kunstenaars moeten daarbij hun eigen podium blijven creëren en zich niet als marionet laten gebruiken in de opvoering van het officiële engagement.” Kunst loopt het risico te verworden tot een controleerbaar en zonder veel risico’s in te zetten middel. Terwijl juist haar vrijheid, flexibiliteit en grilligheid waardevol zijn naast de stelligheid van architectuur of stedenbouw. Nee, de kunst is beter af als een autonome, onvoorspelbare en niet te vertrouwen factor. Laat de glansrol in die ‘opvoering van het officiële engagement’ maar over aan echte, al of niet gecorrumpeerde, professionals zoals architecten.