Recensie —

Duitse degelijkheid

Herman van Bergeijk

Hij die de moed bezit om een boek over honderd jaar Duitse architectuur te schrijven, moet zonder meer als een durfal worden omschreven. Er is bovendien een zekere bevlogenheid en stoutmoedigheid voor nodig om een zo complexe eeuw van de Duitse geschiedenis door de architecturale uitingen te beschouwen.

Wolfgang Pehnt, hoogleraar architectuurgeschiedenis te Bochum, heeft geprobeerd in een zeshonderd pagina’s tellend boek de som te trekken van alles wat er in Duitsland in de twintigste eeuw op architectuurgebied heeft plaatsgevonden. Pehnt is bekend geworden door zijn degelijke studies van de architectuur van het expressionisme. In de voetsporen van bijvoorbeeld de Engelse architectuurhistoricus-goeroe Reyner Banham toont Pehnt een interesse in die figuren en velden van de architectuurgeschiedenis die tot op dat moment nauwelijks aandacht kregen. Dat hij monografieën over Böhm, Schattner en Schwarz heeft geschreven, toont reeds aan dat hij op zoek is naar een nieuwe spiritualiteit. Alle drie architecten hebben zich als religieuze bouwers ontpopt en getracht een nieuwe geestelijke lading te ontdekken voor de architectuur van de 20ste eeuw.

Deutsche Architektur seit 1900 is onderverdeeld in zes periodes die alle door de politiek hun eigen logica hebben gekregen. Pehnt begint met de periode 1900 tot 1918 waarin hij vooral via de kunstenaarskolonie van Darmstadt een bijzonder markante fase heeft gevonden. De tweede periode is die van de Weimar republiek. Met de machtsperiode van Hitler is de derde periode gedekt. De vierde omvat de wederopbouw en sluit met het jaar 1970, het enige jaar dat geen overduidelijke politieke lading heeft. De vijfde periode reikt tot de val van de muur en de zesde periode betreft het laatste decennium van de 20ste eeuw. Met deze indeling vervalt Pehnt in ieder geval niet in de schoolse aanpak zoals die in boeken over honderd jaar Nederlandse architectuur naar voren komt. Hij maakt nauwelijks een stilistische indeling, maar ziet de architectuur als een fenomeen dat ingebed is in de tijd en vanuit die tijd moet worden belicht en begrepen. Pehnt probeert steeds thema’s te vinden die toentertijd werden aangesneden. Opmerkelijk is dat het hoofdstuk over de Hitler periode begint met de zin ‘Architekten sind mit keinem feineren politischen Instinkt ausgestattet als die Angehörigen anderer Berufe’. Met deze verontschuldigende opmerking zet hij een toon die wellicht het hele boek beheerst, namelijk die dat we nu eindelijk openhartig kunnen spreken over een periode die tot de geschiedenis behoort. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat het boek door vele andere architectuurhistorici en critici met zoveel bijval is verwelkomd. Het maakt de Duitse geschiedenis van de twintigste eeuw bespreekbaar zonder direct een schuldgevoel op te wekken. Slechts enkele architectuurhistorici hebben hier kanttekeningen bijgezet en misschien wel terecht. Zo vraagt Pehnt zich nergens af wat dat Duitse is wat toch besloten ligt in de titel van zijn boek. Het laatste hoofdstuk gaat in feite over een architectuur die weinig Duitse kenmerken bezit behalve het gegeven dat ze in Duitsland is gebouwd of door Duitsers is ontworpen. Over een mogelijke samenhang tussen de bigness van de projecten waaraan Duitse architecten in China werken en de Duitse projecten voor Berlijn, Hamburg of München uit de periode 1933-1945 wordt niet gerept.

pagina’s uit het besproken boek

Het boek van Pehnt is van groot nut omdat het vol zit met kleine weetjes en omdat het figuren belicht die tot nu toe buiten het licht van de schijnwerpers stonden . Bovendien is het aantrekkelijk geschreven: Pehnt is een historicus die gelooft in de grote verhalen en dat architectuur pas begint te leven op het moment dat zij wordt beschreven. Hij signaleert dat tegenwoordig vooral de architecten graag over hun eigen werk verhalen om commerciële of welke redenen dan ook. Architecten zijn hun eigen critici geworden en schrijven soms beter dan de beroepscritici, meent Pehnt. De aanstekelijke wijze van beschrijven maakt het boek tot een leesbaar werk dat van goede en veel foto’s is voorzien, maar er schuilen toch addertjes in het gras. Die addertjes zijn het gevolg van het feit dat hij nergens de som heeft willen nemen van datgene wat er gebeurt en gebeurd is. Alles wordt gerubriceerd in een tijdsconstellatie maar nergens wordt er gekeken hoe die tijdsperioden aan elkaar gerelateerd zijn. Er wordt dus geen verband gelegd tussen Darmstadt aan het begin van de twintigste eeuw en het Darmstadt in de jaren vijftig toen de bekende ‘Darmstädter Gespäche’ werden gehouden waar bijna de hele Duitse intelligentsia aan deelnam. Verzwegen worden de mooie motto’s die op de werken van Behrens en Olbrich in Darmstadt stonden en die een opstapje naar een beter begrip van de twintigste eeuw hadden kunnen vormen: ‘Steh fest mein Haus im Weltgebraus’ en ‘ Seine Welt zeige der Künstler, die niemals war, noch niemals sein wird’. Het vraagstuk wat de architectuur kan betekenen, een vraagstuk dat in de jaren vijftig opnieuw centraal zal staan, wordt hier voor het eerst – enigmatisch weliswaar – aangeduid.

Wat Pehnt in zijn overzichtsboek in ieder geval duidelijk maakt is dat de ‘Duitse’ architectuur altijd een constante kwaliteit bezit en nergens echt onder de maat is. Dit geldt ook voor de beruchte periode 1933-1945, de periode die, hoe je het ook wendt of keert een spilpunt is in de geschiedenis van de Duitse architectuur. Wat wel veranderde, is dat de euforie en zelfverzekerdheid die ‘Duitse’ architectuur voor Hitlers machtperiode in zekere mate lijken te kenmerken, na de Tweede Wereldoorlog duidelijk geheel verdwenen zijn. Duitsland strijdt tegen zichzelf. De verwerking van de traumatische ervaringen voert de boventoon en zorgt er voor dat nooit echt hard op de trommel wordt geslagen, ondanks dat de kwaliteit hiertoe aanleiding geeft. Het boek van Pehnt levert het bewijs. Dezelfde constatering als bij het voetbal kan worden gemaakt: met Duitsland moet altijd worden gerekend. Wuppies mogen de aandacht naar zich toetrekken, de geschiedenis van de moderne architectuur is in de twintigste eeuw vooral op Duitse bodem geschreven. Spilpunt in die geschiedenis is, hoe je het ook wendt of keert, de globaliserende terreurperiode van het Hitlerregime. Vele Duitse recensenten schijnen dat na zoveel tijd maar al te gretig te willen vergeten.