Feature —

Cees Dam en de ruimte voor het gewone

Hans Teerds

Architect@NAI is een lezingenreeks waarin de ‘grand old men’ van de Nederlandse architectuur spreken over oude en nieuwe fascinaties. Donderdag 14 september was het de beurt aan Cees Dam.

Het zou vooral geen terugblik op zijn carrière zijn, klaar was hij nog niet. Het was eerder een nieuw begin, een zoektocht naar hoe het verder zou kunnen, vond hij. Dams carrière is overigens wel een terugblik waard. Lange tijd is hij Nederlands bekendste architect geweest. Dé architect die voor een breed publiek het vak wist uit te leggen; hij presenteerde onder meer  een Teleaccursus over architectuur. De eerste architect ook, die, voordat het vak een sterrenstatus kreeg, een beetje bekende Nederlander werd, en zelfs in de roddelbladen figureerde. Maar een society-architect, zoals hij vaak door collega’s wordt aangeduid, is hij niet, stelde Dam meteen, society bestaat in Nederland namelijk niet.

De lezing van Dam was klassiek in opbouw: te beginnen bij het neerzetten van de drijfveren achter het werk, vervolgens het bespreken van enkele projecten om dan af te ronden met een conclusie. Het verband tussen de drie onderdelen was echter niet duidelijk. De uitwerking van het eerste deel was niet erg verrassend, misschien omdat zijn drijfveren zo algemeen zijn dat bijna iedere architect er wel mee uit de voeten zou kunnen. Niet dat daar iets mis mee is, maar je verwacht op z’n minst wel dat hij dan ook zou laten zien hoe dit dan in zijn werk naar voren komt, hoe hij met de genoemde overwegingen in de praktijk omgaat. Maar juist in de bespreking van zijn werk werd Dam anekdotisch en nonchalant – alsof de presentatie van zijn eigen werk vermoeiend voor hem was.

Dam vertelde zijn verhaal in oneliners. Dat is zijn kracht. Architectuur moet vooral gewoon zijn en ook heel gewoon uitgelegd worden. Geen archicadabra – de gebouwen moeten voor zichzelf spreken. Architectuur is, volgens Dam, in eerste instantie een vak, een vak dat geleerd moet worden. Het kent een traditie en daar kan het niet van loskomen, hoezeer sommige architecten dat ook zouden willen. Architectuur is ook een kunst, stelde Dam, “een gebonden en vervuilde kunst”. De architect moet alleen en intuïtief ideeën ontwikkelen (dat is de kunstkant van de architectuur), die later aan functionele en economische wetten aangepast moeten worden (en dat vervuilt of bindt de kunst). Het is voor de architect echter de kunst om dit laatste niet te zien als een belemmering, maar juist als het materiaal waarmee gewerkt moet worden. Het intuïtieve van het proces wordt gevoed door goed te kijken en tegelijk te analyseren, alles te ontleden in maat, schaal, tastzin, ruimte, massa, compositie en textuur. Ontwerpen is, zo stelde Dam, al deze ervaringen, deze opgedane kennis, op telkens nieuwe wijzen bij elkaar te brengen, zonder dat daar “de functie of een theorietje” tussen zit. En tenslotte is architectuur ook herinnering – niet alleen voor de architectuurcritici, die de voorlopers van het nieuwe vaak genadeloos kunnen aanwijzen, maar juist ook voor het brede publiek. Voor hen is de architectuur de dagelijkse leefomgeving, een stabiele factor in een verder continu veranderende wereld. De architectuur moet hun dromen kunnen bevatten. Door contrasten te gebruiken (in lichtsterkte, in volume, in materiaal), wordt de ruimte ervaarbaar en kan sfeer worden gecreëerd. Bovendien moet de architectuur verrassen. De architect moet daarom eerst orde scheppen, om deze daarna te ontregelen.

De verrassing van de avond waren vooral Dams vroege projecten, die niet of nauwelijks zijn gepubliceerd. Daarin werkt hij inderdaad met contrasten in een architectuur die, ondanks een duidelijke structuur, niet erg opvalt. Vooral zijn eerste woningontwerpen, uit de zestiger en zeventiger jaren zijn intrigerend. Gemaakt in ruwe betonsteen, opgebouwd uit vierkanten, met tussenruimten en een fascinerend spel met licht en materiaal. Werk dat doet denken aan Van Eyck en Hertzberger. Wat een verschil met recentere projecten. Wat alle projecten bindt is  de behoefte alles te ontwerpen; van ruimtelijke opzet tot detail, van interieur tot  belettering. De architect moet alles in de hand houden, stelde Dam  dan ook. Toch wordt in een ontwerp als voor het gemeentehuis van Almere duidelijk dat er misschien ook teveel ontworpen kan worden. “Alles zit op de goede plek”, concludeerde Dam, “mooi gedetailleerd”. Het is echter ook wel veel, misschien wel teveel. Zeker in vergelijking tot de terughoudendheid van de vroegere ontwerpen. Bieden die niet veel meer het decor voor het alledaagse? Bieden de luxe materialen, de vormen, de glimmende kleuren ruimte voor verandering? Is dit niet overontworpen, zodat het geen plaats biedt aan ervaring en herinnering, aan droom en toekomst? Het zijn thema’s die Dam zelf in het eerste deel van zijn lezing aanreikte, maar waar hij zijn werk nauwelijks aan spiegelde.

Concluderend keek Dam, zoals hem door de organisatie was gevraagd, naar de huidige stand van zaken in het vak. Hij leek somber: de specialisering die in het vak optreedt, is funest is voor de architectuur. Het maakt de architectuur vluchtig, terwijl deze als leefomgeving gekenmerkt zou moeten worden door stabiliteit. Het maakt ook de jonge ontwerper kwetsbaar. De tijd die voor het werkelijke ontwerpen beschikbaar is, is enorm verkort, terwijl voor het ontwerpen juist tijd nodig is; tijd om keuzes te maken, keuzen in dienst van de ander. De architect moet volgens Dam namelijk oog hebben voor de verwachting van opdrachtgevers en het publiek en tegelijkertijd op de eigen intuïtie kunnen vertrouwen. Met dit laatste kan hij het vertrouwen winnen – en alleen met dat wederzijdse vertrouwen kan goede architectuur ontstaan.