Feature —

Hausmann in de polder

Gideon Boie

Van Rotterdam tot Nijmegen, van Maastricht tot Groningen – elke grote en middelgrote stad in Nederland heeft wel ergens een wijkje uitverkozen dat binnen het Grote Stedenbeleid (GSB) op de schop moet gaan. Inmiddels zijn de werken ver gevorderd en maken Rijk en gemeenten de balansen op van dit geïntegreerd ruimtelijk, sociaal en economisch meerjarenplan. Hoog tijd dus om deze Grote Verbouwing eens nader te beschouwen.

Als we de voortgangsrapportages mogen geloven zijn vele doelstellingen (welzijn, veiligheid, leefbaarheid, etc) reeds bereikt en vraagt het geheel slechts nog om wat extra aanscherping op kleinere details. De hamvraag is natuurlijk wiens doelstellingen bereikt zijn en wie de tol betaald heeft? Een blik in de Haagse wijk Transvaal anno 2006 laat niets aan de twijfel over: vooral de ambities van de projectontwikkelaars zijn inmiddels bereikt. De reclamebeeldjes die pakweg tien jaar geleden het nieuwe Transvaal verbeelden, zijn vandaag pijnlijke realiteit geworden – de eens levendige woonbuurt is omgedoopt in een photoshop-urbanisme dat angstwekkend dicht bij een schilderij van De Chirico komt. Of de sociale problemen waar de toenmalige buurtbewoners mee kampten opgelost zijn, blijft een open vraag waar zelfs de gemeentelijke overheid waarschijnlijk geen antwoord op heeft. De gekende genezingsformule voor Transvaal was immers het letterlijk ‘oplossen’ van de problemen: d.i. het vervangen van de buurtbewoners door meer gewenste bevolkingsgroepen. Deze relocalisatie gebeurde geruisloos door middel van enkele ruimtelijke ingrepen en werd voor het overige overgelaten aan de werkingen van de markt die – zo geloofde projectleider Caprino heilig – ‘zichzelf reguleert’.

Dit lot van Transvaal vat de korte geschiedenis van de Grote Verbouwing in Nederland in een notendop samen. Een terugblik op deze verbouwing kan echter niet volledig zijn als ze niet de eigenaardige rol onder de loep neemt van een andere standaardformule uit de trukendoos van het GSB. We denken dan aan de jonge traditie om een legertje ontwerpers in te huren die elke buurt die op de schop gaat animeert met activiteiten van allerlei slag. De meest besproken onder deze culturele huurlingen is ongetwijfeld het bonte gezelschap dat onder de vlag van WiMBY! haar tenten opsloeg in de Rotterdamse volksbuurt Hoogvliet. WiMBY! richtte zich niet enkel op de buurtbewoners zelf, maar zag voor zichzelf ook een opvoedkundige taak ten aanzien van de eigen collega’s. Zo maakte ze een einde aan de jarenlange dictatuur van de dystopie binnen de ontwerpwereld. Fascinerende beelden van imploderende en exploderende steden vormden jarenlang het smakelijke materiaal voor dikke naslagwerken en internationale onderzoeksprojecten (denk aan Mutations en Shrinking Cities) en dwongen de ontwerper tot passieve contemplatie. Opvallend aan WiMBY!’s insteek – als exponent van het eeuwig nuchtere Nederland – is dat de dreigingen die boven de stad hangen niet zozeer leiden tot passiviteit, maar juist aanzetten tot een hernieuwde ‘reflectie’ op de uitdagingen van de nieuwe tijd. Alsook, het opnieuw overdenken van de betekenis van het ontwerp binnen de op stapel staande Grote Verbouwing van de Nederlandse stad.

In het Panorama 1: Rotterdam 1940-1960 toonde Crimson (de geestesvader van WiMBY!) de geschiedenis van Rotterdam, van het moment van haar totale vernieling in de WOII tot haar wederopbouw. Onderin het panorama staat een tekst waarin twee verschillende reacties op de vernietiging van Rotterdam staan genoteerd: één man betreurt de oorlog als het einde van zijn grote stad, een tweede man ziet de oorlog als dé kans bij uitstek om zijn stad opnieuw te laten bloeien. Kortom, in deze collage lezen we Crimson/WiMBY!’s alternatieve visie op de architectuurgeschiedenis, die ze ook wel benoemd heeft als ‘een vuilnisbelt’. Architectuur is geen resultaat van mooie dromen en idealen, maar een gebrekkig resultaat van pragmatische beslissingen en andere toevalligheden, zoals een oorlog, het winstbejag van een opdrachtgever, de prestigedrang van een enkele architect, etc.

WiMBY! mag dan wel de stoottroep vormen van een grootscheeps ombouwprogramma dat Rotterdam wil redden van haar nakende ondergang in geweld en segregatie, dit doet ze niet zonder met veel tromgeroffel het traditionele denkverbod op deze kwesties te doorbreken. Als ‘interactief medium’ werpt WiMBY! zich op als een ‘derde weg’, waarin ze zich niet langer autoritair opstelt ten aanzien van het verlangen van de opdrachtgever (de grootscheepse afbraak van Hoogvliet aanvaardt ze als een historische feitelijkheid) doch evenmin zich volledig schikt naar zijn wet. Zo profileert WiMBY! zich uitdrukkelijk als een platform waarop private en publieke partijen kunnen kortsluiten met maatschappelijke partners en individuele burgers over de stapel liggende sloopplannen en projecties kunnen maken van alternatieve mogelijkheden.

Deze aandoenlijke mix van nuchtere realiteitszin en maatschappelijk constructivisme brengt ons op de ‘nieuwe ondoorzichtigheid’ die ontstaan is binnen de Nederlandse ontwerpwereld. De nieuwe projectieve wind die WiMBY! introduceerde lijkt de ontwerpwereld in een – al dan niet gespeelde – toestand te dompelen van wat Celeste Olalquiaga aanduidde met ‘psychastenie’. Het gaat dan niet zozeer om een verstoorde relatie van het subject tot zijn ruimtelijke beleving, als wel om een onmacht bij ontwerpers om het stedelijke gebeuren in een samenhangend verhaal te conceptualiseren, én vervolgens hierbinnen eenduidig de eigen positie te bepalen. De atoomachtige organisatieschema’s die WiMBY! opstelde zijn symptomatisch. Terwijl deze schema’s (waarin WiMBY! zichzelf situeert als een enkele monade in een soort bad van ‘marktbelletjes’) ongetwijfeld de ambitie moet communiceren dat WiMBY! met beide voeten in de stedelijke realiteit staat en zich bewust is van alle krachten die daarbinnen actief zijn, lijkt veeleer het omgekeerde aan de gang. De schema’s zijn niet meer dan een krampachtige poging om een eigen speelveld te definiëren in wat lijkt op een universum dat totaal wordt ingenomen door de markt. Kortom, de positie van WiMBY! is een totale non-positie en kan niet verbergen dat ze als ontwerper volledig weggezonken is in het speelveld van de markt.

Deze ontwerpattitude (waarin de verdwijning als ontwerper gepresenteerd wordt als ‘authentiek’) toont hoe de Nederlandse evacuatie van de dystopie niet zozeer aanleiding geeft tot een helder debat over de lotgevallen van de stad onder de Grote Verbouwing, maar integendeel een ‘implosie van het discours’ vormt. Het ligt toch voor de hand dat een ontwerper in de eerste plaats ‘aan het werk’ gaat, praktische oplossingen verzint, handen vuil maakt en de verlangens van de markt bemiddelt met deze van de maatschappij. De meer urgente kwestie is wat de doelmatigheid van dit werk is: Voor wie? Voor wat? Om wat te bereiken? Als de Grote Verbouwing na tien jaar iets bereikt heeft, dan is het wel dat ze elke ruimte voor deze vragen uitgebannen heeft. En wat heeft WiMBY! na tien jaar bereikt? Niets, behalve dat ze de gehele ontwerpwereld mobiliseerde om elke lokale weerstand tegen de Grote Verbouwing te breken met de typisch ‘verbale’ dwang van het superego. Vandaag de dag zingt iedereen in koor: ‘welkom in mijn achtertuin’.