Feature —

Bouwkundeles in het Berlage Instituut

Robert-Jan de Kort

Als het aan Hans Kollhoff ligt worden ‘slechte gebouwen’ bij wet verboden. De Citybuilding en de Hofdame aan de markt in Rotterdam zouden hiervan, met terugwerkende kracht, de eerste slachtoffers moeten zijn.

De prelude van de 3e Internationale Architectuur Biënnale in Rotterdam begon dinsdag 10 oktober in het Berlage Instituut. Het komende jaar is het Berlage curator van de biënnale met als thema; ‘Architecture and Power’. Het onderwijs staat komend jaar in het teken van de verhouding tussen architectuur en macht. De Duitse architect Hans Kollhoff beet de spits af van de gelijknamige lezingenreeks.

Kollhoff begon zijn lezing met een terugblik op de architectuurtendens uit het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw. De drang om te breken met bestaande waarden uitte zich bij veel architecten in een interesse voor vervorming, wat vaak resulteerde in deconstructivistische elementen in de architectuur. In contrast met deze ontwikkelingen ontstond het ontwerp voor woongebouw Piraeus op het Amsterdamse KNSM eiland. De bakstenen monoliet is één van de grote woningblokken in het stedenbouwkundig plan van Jo Coenen. De vervormingen die het blok tijdens het ontwerpproces heeft doorgemaakt kwamen geenszins voort vanuit een nieuw soort expressionisme, maar werden ingegeven door context en eisen. Een oud gebouw dat moest blijven staan, de brandweerauto die tussen twee panden door moest kunnen rijden en de wens om de noordrand van het blok uitzicht en zonlicht te geven, waren de oorzaak van de vervorming.

boven: Landeszentralbank der Freistaaten Sachsen-Türingen, Leipzig 1993-1996
beneden: Daimler Chrysler gebouw, Potzdammer Platz, Berlijn 1997-2000

Na Piraeus kreeg Kollhoff steeds meer interesse in gebouwen als artefacten en verlegde zijn aandacht van het gladde geveloppervlak van Piraeus naar gelaagde gevelvlakken. Het begrip ‘tektoniek’ staat hierbij centraal. De logica van een constructie en het uiterlijk van een gevel moeten in balans vormgegeven worden. Door diepte te geven aan de horizontale (balken) en verticale (kolommen) delen kan de schaduw herwonnen worden. Aan de hand van het hoofdkantoor van de Landeszentralbank der Freistaaten Sachsen-Türingen in Leipzig en een aantal woon/werk gebouwen in Berlijn toonde Kollhoff aan dat de klassieke manier van gevelontwerpen een rijkdom aan expressie mogelijk maakt en dat grote en kleine gebouwen zich prima tot elkaar kunnen verhouden, als waren het goede vrienden.

Hoe star de projecten van Kollhoff ook overkomen, een zekere flexibiliteit kan de architect niet ontzegd worden. Dit bleek uit het project voor het Walter Benjaminplatz in Berlijn waar twee tegenoverliggende gebouwen, elk met een colonnade, een enorm plein begrenzen. Het plein moest en zou aanvankelijk leeg blijven, maar na een gerechtelijke procedure met omwonenden, die meer groen wilden, werd er toch één enkele boom neergezet. Na afloop bleek Kollhoff zeer tevreden met de boom op zijn plein. Het plein werd uiteindelijk omarmd door de buurt en kan als openbare ruimte zeer succesvol genoemd worden.

Vervolgens ging Kollhoff in op het meest spraakmakende project van de afgelopen twintig jaar in de Duitse hoofdstad: Potzdammer Platz. Zij die, gezien het thema van de lezingenreeks, verwachtten dat de stadstheoreticus Kollhoff zou ingaan op de ‘kritische reconstructie’ van Berlijn na de val van de muur, werden teleurgesteld. Kollhoff bleef in zijn rol als architect en vertelde louter over zijn twee torens aan het Potzdammer Platz. Het enige statement dat hij maakte was dat Potzdammer Platz zich in 15 jaar tijd had ontwikkeld ‘van niets naar stad’. De klassieke Europese Stad, met een vleugje Manhattan, wel te verstaan. Na afloop van de lezing vroeg Vedran Mimica (associé decaan Berlage Instituut) nog wel hoe de relatie macht en architectuur hier tot uitdrukking kwam. Kollhoffs antwoord betrof de gehele geschiedenis van Berlijn vanaf de jaren ’60. Het kwam er uiteindelijk op neer dat de architect gewoon afhankelijk is van de opdrachten die hem worden verstrekt en dat hem niets anders rest dan deze goed uit te voeren. De architect heeft wellicht een adviserende rol, maar van macht is geen sprake. Als alle architecten tegelijkertijd op zoek zijn naar nieuwe vormen levert dit volgens Kollhoff voornamelijk middelmatige of zelfs ronduit slechte gebouwen op, zoals de Citybuilding en de Hofdame. Een duidelijke ontwerpopvatting is volgens Kollhoff derhalve veel belangrijker en dat probeert hij met zijn oeuvre uit te dragen.

Ministeries Binnenlandse Zaken en Justitie, Den Haag 2004-2007

Voor Den Haag ontwierp Kollhoff  twee torens, één voor het ministerie van Binnenlandse Zaken en de ander voor Justitie, op de plek waar nu nog de Zwarte Madonna staat. Wéér liet Kollhoff het na iets te zeggen in relatie tot het thema ‘Architectuur en Macht’ en vervolgde zijn lezing met een reis langs zijn projecten in Rotterdam, Maastricht, Breda, Antwerpen, Hamburg en wederom Berlijn. Steeds bleef hij de architectonische kant van de projecten belichten en woorden als dilatatievoeg, fronton, profiel, compositie de zaal inwerpen. De weerzin van de toehoorders was voelbaar en werd met de minuut groter. Hij liet een kant van architectuur en opvattingen over stedelijkheid zien waar een gemiddelde Berlage student weinig mee op heeft. Architectuur volgens Kollhof lijkt wel een ambacht zullen velen ongetwijfeld gedacht hebben. Wat aantoont hoe erg het Berlage Instituut een kunstzinnige bubbel is dat dergelijke opvattingen niet geapprecieerd worden.

Het stelde teleur dat de lezing van Kollhoff niets bijdroeg aan een beter begrip van het thema. Dat zit in de voorbereiding van de architect zelf, maar ook in die van het Berlage. De nogal  algemene inleiding van Mimica was hier exemplarisch voor. Het publiek wist duidelijk niet hoe en waarover ze Kollhoff moesten bevragen. De enige vraag uit de zaal, over tijdelijkheid van conceptie, werd door Kollhoff afgedaan als geforceerd intellectueel. Met dat bijltje heeft Kollhoff al talloze malen gehakt. De meeste mensen willen gewoon mooie gebouwen en daar staat Kollhoff voor.