Feature —

Laat internet de stad redden

Gideon Boie

Het eerste debat van ArchiNed@NAi ‘Publiek domein 2.0’ leverde een mooie paradox op. Net op het moment dat de ontwerpwereld een onmetelijk virtueel veld ontdekt waarin ze haar ‘tweede leven’ kan inzetten in de zoektocht naar publieke ruimte, lijkt ze deze verwachtingen steeds verder voor zich uit te schuiven. Eerder dan een (virtuele) realiteit, wordt het publiek domein opnieuw iets in de orde van een utopische verwachting.

Inleiders Olof van de Wal en Piet Vollaard zetten de toon voor een geanimeerd debat. Van de Wal schetste de verschijning van het internet als ‘redder van de democratie’. Haar anarchistische, onconventionele karakter maakte het immers mogelijk om los van verstarde machtsverhoudingen nieuwe virtuele ruimten en gemeenschappen te creëren. Een probleem detecteerde van de Wal echter in de welwillendheid van overheden om mee te liften op het succes van de internet en deze graag aanwendt om een ‘fictieve binding’ met burgers te organiseren. Piet Vollaard haakte hierop in en omschreef het internet als het laatste restje ruimte waarin we ons ‘spontaan tot elkaar verhouden’ en dus ontsnappen aan de afstompende vermarkting van sociale relaties. De cruciale vraag, zo stelde Vollaard, is of ontwerpers deze tussenzone überhaupt kunnen bemiddelen, openhouden of vormgeven. Het debat werd met deze gedachten hoog ingezet.

In de eerste presentatie stelde Marc Schuilenburg (Studio Popcorn) dat enkel ICT in staat is om het publieke domein nieuw leven in te blazen. Hij doelde hiermee op de verdwijning van plaatsen waar “vrije ontmoeting van leefstijlen, ideeën, identiteiten en opinies” mogelijk is en dus “alles kan gezegd worden.” Schuilenburg omschreef de specifieke kwaliteiten van ICT met vier neologismen: virtualiteit, interactiviteit, connectiviteit en multimedialiteit. Vier even onvatbare als onvoorspelbare processen die elk vastgeroest schema doorkruizen en zo de hedendaagse stad omtoveren tot een ‘nodale stedelijkheid’. Online spelletjes als Project Entropia functioneren als het toonbeeld van ruimtelijkheid: niet alleen is ze ‘the first virtual universe with a real cash economy’ (die bovendien de omzet van sommige derde wereldlanden zou overtreffen), ook vertakt ze de werkelijkheid in tal van dunne gemeenschappen. Zo kwam Schuilenburg tot een nieuw concept van publieke ruimte: het gaat niet langer om een plaats van ‘voortdurende uitwisseling’, maar om “het exploreren en interveniëren in de ruimte van de stad om zo open en gesloten sferen aan elkaar te koppelen.”

De tweede spreker Dennis Kaspori (the Maze Corporation) beloofde met De Rotterdam Index (RIX) de discussie concreter te houden. Toch zag ook hij in de virtuele ruimte van het internet een mogelijkheid om een aloude utopie in te lossen: deze van de ‘inclusieve stedenbouw’. Kaspori plaatste RIX in lijn met de Hollywood Stock Exchange  en de Politieke Aandelenmarkt  – projecten op zoek naar alternatieve opinievorming. Doordat RIX op buurtniveau informatie verzamelt uit verschillende media (Radio Rijnmond, AD, blogs) ontstaan er, in het virtuele spel van uitwisseling en investeringen in woonbuurten, spontaan “gemeenschappen van gelijkgestemden over bepaalde kwesties.” Het democratische gehalte wordt gewaarborgd doordat RIX-spelers kunnen doorgroeien tot analist, columnist of wijkinformant én de ‘incentive’ van het hele gebeuren absoluut waardeloos is (het gaat, och arme, om een T-shirt).

screenshot Rotterdam Index

Met deze dubbelzinnige positie kwamen alle panelleden dicht bij elkaar op de schoot te zitten. Allen bleken het roerend met elkaar eens te zijn dat de nieuwe media in staat ‘zou kunnen zijn’ om te functioneren als een nieuw publiek domein. De vraag ‘hoe’ en ‘waar’ dit dan moet gebeuren, werd veilig uitbesteedt aan de toekomst. Het was Lovink die deze kunstmatige verlenging van de kinderjaren rationaliseerde door de opdracht voor ontwerpers in het tijdperk van de nieuwe media te herformuleren. Zo verhaalde hij van een experiment waar een legertje hackers tevergeefs trachtte in te breken op de ‘code’ van het mobiele telefoonnetwerk, dat ondertussen naar schatting 2 à 3 miljard mensen in verbinding stelt. Maar ook ontwerpers bleken vandaag steeds minder hun eigen ‘tools’ en ‘codes’ begrijpen. Uit de zaal kwam het voorbeeld van High Tech Campus Eindhoven waar de bestaande veiligheidsomheining vervangen werd door een virtuele fire-wall van slimme ruimtelijke ingrepen. Hier zag Lovink een nieuwe opdracht: als ontwerpers eerst in staat zijn om inzicht te krijgen in de stedelijke productieprocessen, dan kunnen ze misschien in de toekomst deze ook efficiënt in beeld brengen. Wat Lovink niet zag is dat de oplossing naast hem zat. Is RIX niet het perfecte middel om de speculatieprocessen in Nieuw-Crooswijk te simuleren? En zal dit RIX niet in staat stellen om ook bij leken een bewustzijn te provoceren en hen een virtuele toegang bieden tot de schijnbaar onbreekbare codes van de Rotterdamse stadsmanagers? Kortom, slechts als de nieuwe media haar eigen virtuele karakter serieus neemt kan ze zichzelf verlossen van haar puberale vrijblijvendheid én de utopische verwachtingen die op haar geladen wordt, realiseren.

screenshot Hollywood Stock Exchange
sceenshot Politieke Aandelen Markt

Commentator Geert Lovink, internetexpert, startte met de vraag waarom het internet überhaupt een kritische functie moet vervullen. De opdracht om dienst te doen als nieuw publiek domein plaatste hij tegen de achtergrond van een terugtredende overheid die haar aloude opdracht om de publieke zaak te verdedigen naast zich neerlegt. Cynisch, zo merkte Lovink op, als je ziet hoe overheden onverminderd gebruik maakt van haar aloude geweldsmonopolie. Na een vriendelijke informatieronde bij de panelleden bleef vooral een ambiguïteit in de positie van Lovink nazinderen. Enerzijds was hij bijzonder optimistisch over de mogelijkheid van de nieuwe media om te functioneren als publiek domein. Zo zag hij in de wetenschap dat 70% van Nederland ondertussen actief is op het internet “de mogelijkheid om een enorme kritische massa op te bouwen.” Verwonderlijk was echter dat dit cyberenthousiasme gepaard ging met een even grote dosis realiteitszin – om niet te zeggen cynisme – over de feitelijke uitkomsten ervan. Zo stelde Lovink dat het internet na haar incubatieperiode nog steeds een uitermate puberaal gedrag vertoonde en verzandde in spielerei.

Dezelfde ambiguïteit sloeg terug op de ambitie van de beide sprekers. Kaspori’s grootste verwachtingen met de nieuwe media (het zou nieuwe gemeenschappen creëren die het ontwerpproces drastisch emanciperen) werd genuanceerd door de realiteit van RIX. De pseudo-expertise die er binnen deze virtuele ruimte ontstaat, toont dat RIX er klaarblijkelijk vanuit gaat dat bepaalde groepen niet eens een serieuze opinie moeten vormen over de werkelijke productieprocessen in Rotterdam en al tevreden zijn met een geestdodend spelletje. Geen wonder dat een toehoorder zich vertwijfeld afvroeg of RIX feitelijk iets anders doet dan de inspraakrondjes uit de jaren ’70? En, wat je überhaupt met dergelijk project wilt bereiken? Ook Schuilenburgs hoge inzet op de functie van architectuur en nieuwe media als “het bieden van toegang” ging bleek gepaard te gaan met een extreme dosis fatalisme. Dat Rotterdammers met RIX uiteindelijk ook niet echt toegang krijgen tot de gesloten gemeenschap van projectontwikkelaars relativeerde hij schouderophalend met: “een beetje elitarisme is altijd goed.”