Feature —

Ontwerpen met je handen

Frido van Nieuwamerongen

Een hotelkamer die zich voegt naar je voorkeuren, een met spieren bekleed bewegend gebouw, gevels als reusachtige kledingstukken, het zijn enkele voorbeelden die voorbij kwamen op het inspirerende congres Materialz dat de faculteit Bouwkunde op 14 september organiseerde.

De interesse van architecten voor materialen lijkt reusachtig. Een stroom van materiaalbeurzen, vuistdikke glossy materiaalboeken, tentoonstellingen met innovatieve materialen, gespecialiseerde websites en vakbladen doet vermoeden dat het goed gaat met de interesse en kennis over materialen. Maar niets is minder waar volgens Wim Poelman, dagvoorzitter van het symposium Materialz en docent in Utrecht en Delft. Studenten renderen liever met 3D Max dan dat ze zich verdiepen in materialen. En de nieuwsgierigheid naar nieuwe mogelijkheden is zo mogelijk nog geringer. Met het symposium en de bijbehorende expositie wil organisator Charlotte Lelieveld de interesse voor materialen bij architectuurstudenten vergroten.

Experimenteel en marktrijp, jong en ervaren; het symposium was een mixture van prille initiatieven en bewezen producten. Nog zeer experimenteel is de zich aanpassende hotelkamer van Charlotte Lelieveld, een met de Young Wild Idea Award bekroond afstudeerontwerp. Lelieveld ontwierp een intelligente hotelkamer die afgestemd kan worden op de wensen van de hotelgast. Vorm, kleur, decor, licht, geluid, alles is naar eigen voorkeur in te stellen. En heb je eenmaal je ideale combinatie, dan sla je de gegevens op en kun je in het volgende hotel, 1000 km verderop, weer je eigen kamer oproepen. Lelieveld deed onderzoek naar materialen met aanpassingsmogelijkheden. Zoals het Shape Memory Polymer (SMP), een materiaal dat onder spanning van vorm verandert, maar altijd terugkeert naar zijn oorspronkelijke ‘oervorm’. Met haar studie toont Lelieveld aan dat de technieken er zijn, maar de wil tot toepassen ontbreekt nog vaak.

Even spectaculair, maar gemaakt van veel simpelere materialen zijn de bewegende gebouwen van de Hyperbody Research Group (HRG). Dieter Vandoren toonde het studentenproject Muscle. Met een lycra doek als huid, waterslangen als spieren en sensoren als zintuigen reageert het gebouw op zijn omgeving. De groep wil elk jaar met studenten een nieuw bewegend gebouw maken.

Om in de praktijk te kunnen vernieuwen dient de bevlogenheid van de universitaire onderzoekers gecombineerd te worden met het pragmatisme van de markt. Guido Bakker en Rienk de Vries streven hiernaar bij het ontwikkelen van textielconstructies. Bakker raakte in 1992 bij de wereldtentoonstelling in Sevilla gefascineerd door de mogelijkheden van textiel. Omdat het bij de bureaus waar hij werkte niet lukte om tentconstructies toe te passen (men vond het tijdrovend en de risico’s te groot) startte Bakker AGB Textile design. Belemmeringen bij het gebruik van afwijkende of nieuwe materialen zijn vooral de onwetendheid bij ontwerpers en de engineeringkosten. Vaak worden deskundigen te laat ingeschakeld waardoor de voordelen van de techniek onvoldoende benut worden. Tip uit de zaal: ontwikkel enkele eenvoudige tools waarmee ontwerpers al in een vroeg stadium kunnen ontdekken of textiele oplossingen geëigend zijn.

Geen ander architect heeft zich de afgelopen decennia zo gericht op materialen als Ben van Berkel. ‘Ontwerpen begint soms bij één detail’, is een van de motto’s van zijn bureau UN Studio. Waarschijnlijk geldt dit nergens zo sterk als voor de Galleria Department Store in Seoul. De opgave bestond uit het in overeenstemming brengen van een bestaand betonnen warenhuis met zijn luxe cliëntèle. In wezen is het ontwerp geen gebouw, maar meer een dress – ‘jurk klinkt zo lullig’, stelt Astrid Piber van UN Studio. In een charmante duo-presentatie met lichtontwerper Rogier van der Heide (Arup Lighting) ontvouwde ze het ontwikkeltraject voor deze verkleedpartij. Feitelijk bestaat het ontwerp uit drie basiselementen: een glazen schijf, een ophangpunt en led verlichting. Aanvankelijk waren de opdrachtgevers terughoudend in hun waardering van de plannen. Pas toen een snel in elkaar geknutseld model werd getoond sprong de vonk over. Piber en Van der Heide vertelden dat er weliswaar veel met de computer werd gewerkt, maar dat het werken met materialen toch het meest essentiële was. ‘Zonder al die uitprobeersels hadden we nooit de zekerheid gehad dat het werkte zoals we wilden’, aldus het duo.

Hoe verschillend de instelling van de deelnemers ook is, er valt één duidelijke rode draad te ontdekken: de lol en het plezier van het werken met materialen. En dan letterlijk werken: prutsen met de handen. Of het nu om theoretische of gerealiseerde projecten ging, alle deelnemers hadden veel voldoening in het knutselen. Misschien is dat nog wel belangrijker dan alle kennis en voorbeelden van materiaalbanken: ‘Het is gewoon leuk om met je handen en met innovatieve materialen nieuwe oplossingen te zoeken’, zoals een deelnemer het krachtig samenvatte.